ECLI:NL:GHAMS:2021:2382
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderbijdrage en draagkracht na relatiebeëindiging
Partijen hadden een relatie van 2015 tot november 2018 waaruit een minderjarige dochter is geboren. De man erkende het kind en oefent gezamenlijk gezag uit met de vrouw, die de hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank stelde een zorgregeling en kinderbijdrage vast, waartegen de vrouw in hoger beroep ging.
De kern van het geschil betrof de ingangsdatum en de draagkracht van de man voor de kinderbijdrage. De vrouw wilde een hogere bijdrage vanaf 1 november 2018, de man stelde dat de rechtbank terecht uitging van 3 mei 2019 als ingangsdatum. Het hof oordeelde dat de man pas vanaf 3 mei 2019 rekening kon houden met de kinderbijdrage zoals door de vrouw gevraagd.
De draagkracht van de man werd per periode beoordeeld: van juli 2019 tot januari 2020 had hij een eigen onderneming en beperkte inkomsten door letsel; van januari tot augustus 2020 werkte hij in loondienst met een lager inkomen door coronabeperkingen; vanaf augustus 2020 werkte hij fulltime bij het ministerie met een berekende draagkracht van €368 per maand. De zorgkorting van 15% werd toegepast vanaf augustus 2020.
Het hof concludeerde dat er geen sprake was van verwijtbaar inkomensverlies en dat het beroep van de man op een aanvaardbaarheidstoets faalde vanwege onvoldoende inzicht in zijn financiën. De kinderbijdrage werd vastgesteld op €223 per maand van 3 mei tot 1 juli 2019, €25 per maand tot 1 augustus 2020, en €266 per maand vanaf 1 augustus 2020. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep deels toegewezen.
Uitkomst: Het hof stelt de kinderbijdrage vast op verschillende bedragen per periode en vernietigt de beschikking van de rechtbank.