ECLI:NL:GHAMS:2021:2637

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
23-002054-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling weigering medewerking ademonderzoek onder invloed alcohol

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in een zaak waarin verdachte werd verdacht van het niet meewerken aan een ademonderzoek op 20 maart 2020 te Assendelft. Primair werd hem ten laste gelegd dat hij niet voldeed aan het bevel van een opsporingsambtenaar om ademlucht te blazen in een daarvoor bestemd apparaat, in strijd met artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging voerde aan dat het bevel niet was gegeven en dat verdachte niet was geïnformeerd over de strafbaarheid van weigering. Het hof verwierp deze verweren op basis van het aanvullend proces-verbaal en de eigen verklaring van verdachte dat hem duidelijk was dat hij moest blazen. Het hof achtte het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van het subsidiair tenlastegelegde.

De politierechter had verdachte vrijgesproken, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde verdachte tot een geldboete van €1000, waarvan €500 voorwaardelijk, en een rijontzegging van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof motiveerde dit met het belang van verkeersveiligheid en het negeren van een bevel van het bevoegd gezag.

De strafrechtelijke grondslagen zijn gelegen in de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 1 september 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €1000 en een rijontzegging van negen maanden wegens het niet meewerken aan een ademonderzoek.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002054-20
datum uitspraak: 1 september 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-077529-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 20 maart 2020 te Assendelft, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
subsidiair
hij op of omstreeks 20 maart 2020 te Assendelft, gemeente Zaanstad, als bestuurder van een voertuig (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist althans redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, al omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat aan de verdachte niet het bevel is gegeven om mee te werken aan de blaastest, en dat hem niet is uitgelegd dat het weigeren van medewerking strafbaar is. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw bepleit dat niet vaststaat dat de verdachte onder zodanige invloed was dat hij niet tot (het ten laste gelegde) behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
De advocaat-generaal concludeert tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.
Het hof stelt vast dat in aanvulling op de op 20 en 21 maart 2020 opgemaakte processen-verbaal, op
19 september 2020 door verbalisant [verbalisant] een aanvullend, ambtsedig proces-verbaal is opgemaakt. Uit dit proces-verbaal blijkt dat op 21 maart 2020 om 00:21 uur aan de verdachte het bevel is gegeven om mee te werken aan de ademanalyse. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat aan de verdachte het bevel als bedoeld in artikel 163 Wegenverkeerswet Pro 1994 niet is gegeven, nu dit verweer geen feitelijke grondslag heeft. De verdachte heeft ook zelf ter terechtzitting aangegeven dat hem duidelijk was dat hij ‘moest blazen’.
Dat de verdachte niet is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken maakt dit niet anders, nu er geen wettelijke verplichting bestaat geen de betrokkene te wijzen op de gevolgen van het niet voldoen aan het bevel mee te werken aan de ademanalyse.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 maart 2020 te Assendelft, gemeente Zaanstad, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-- waarvan € 500,-- voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft gevraagd de geldboete te matigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft niet meegewerkt aan een ademonderzoek, nadat de verbalisant hem had bevolen zijn medewerking daaraan te verlenen. De verplichting gevolg te geven aan een dergelijk bevel bestaat ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. Door het weigeren mee te werken aan een ademanalyse negeert de verdachte een door het bevoegd gezag genomen besluit.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juli 2021 is hij niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. E. van Die en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 september 2021.
Mr. Van Die en mr. Van Keulen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]