ECLI:NL:GHAMS:2021:2821
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens intrekking grieven
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 6 september 2021 uitspraak gedaan over het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019. De advocaat-generaal had verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, Sv. De raadsman van verdachte gaf namens hem aan geen grieven te hebben tegen het vonnis en het hoger beroep te hebben ingetrokken. Hoewel het hoger beroep bij het uitroepen van de zaak nog niet formeel was ingetrokken, stelde het hof vast dat verdachte geen belang had bij verdere behandeling van het hoger beroep. Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van bezwaren en het ingetrokken hoger beroep een niet-ontvankelijkverklaring rechtvaardigde. Er was geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling van de zaak. De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit drie rechters, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Deze uitspraak betekent dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam ongewijzigd blijft en dat het hoger beroep van verdachte niet wordt behandeld vanwege het ontbreken van grieven en het ingetrokken beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en intrekking van het beroep.