Op 23 juli 2018 pleegde verdachte samen met anderen een bedrijfsinbraak in een restaurant te Amsterdam waarbij kluizen en geldbedragen werden weggenomen. De verdachte werd herkend op camerabeelden door twee verbalisanten die hem goed kenden en stellig verklaarden over zijn herkenning op basis van gezicht, houding en beweging.
De verdediging voerde aan dat de herkenning onvoldoende betrouwbaar was en verzocht vrijspraak. Het hof oordeelde dat de herkenning betrouwbaar was, mede door de goede kwaliteit van de beelden en de gedetailleerde verklaringen van de verbalisanten. Het hof verwierp het verweer en verklaarde de verdachte schuldig aan diefstal door vereniging.
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Het hof matigde deze straf tot een gevangenisstraf van acht weken, rekening houdend met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen van de verdachte.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing, met de mogelijkheid deze vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 september 2021.