ECLI:NL:GHAMS:2021:2853

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
5 oktober 2021
Zaaknummer
23-001239-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a lid 5 OpiumwetLijst I OpiumwetArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs invoer cocaïne op Schiphol door kwetsbare verdachte

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland werd verdachte beschuldigd van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne op Schiphol in maart 2020. Het hof heeft het bewijs onderzocht en concludeert dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de drugs heeft ingevoerd.

Het hof baseert dit oordeel mede op bijzondere omstandigheden: de koffer met de cocaïne was door een technische storing op de luchthaven van Panama achtergebleven en arriveerde pas een dag later op Schiphol met twee verschillende bagagelabels en een onverklaarde gewichtstoename. Dit roept twijfel op over de inhoud en het tijdstip van het plaatsen van de drugs.

Daarnaast is een neurodegeneratieve aandoening bij de verdachte niet uitgesloten, wat aansluit bij de indruk van een kwetsbare en verwarde persoon. Het hof sluit niet uit dat verdachte slachtoffer is geworden van misbruik door derden. Daarom wordt verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor invoer van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001239-21
datum uitspraak: 5 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 7 mei 2021 in de strafzaak onder parketnummer
15-208125-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1938,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
21 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2020 tot en met 4 maart 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op 3 en 4 maart 2020 cocaïne heeft ingevoerd op Schiphol.
Het hof neemt als uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn of haar bagage bekend is, behoudens bijzondere omstandigheden. Zo’n bijzondere omstandigheid doet zich hier naar het oordeel van het hof voor. In de onderhavige zaak hecht het hof betekenis aan het feit dat de koffer, waarin de verdovende middelen werden aangetroffen, door een technische storing op 3 maart 2020 is achtergebleven op de luchthaven van Panama. Eén dag later is de koffer alsnog op Schiphol gearriveerd. Aan de bewuste koffer zaten toen twee bagagelabels, het originele label waarop een gewicht van 16 kilo was vermeld en het label in verband met de nazending, waarop een gewicht van 18 kilo werd vermeld. Door welke oorzaak het gewicht van de koffer is toegenomen, of het latere label een hoger gewicht heeft vermeld, is niet onderzocht, zodat naar het oordeel van het hof de mogelijkheid niet geheel kan worden uitgesloten dat de drugs, na het vertrek van de verdachte uit Panama op 3 maart 2020, in de koffer zijn gestopt.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het Consult Rechtspleging van 12 januari 2021 door [naam], psychiater, die beschrijft dat een neurodegeneratieve aandoening bij de verdachte niet kan worden uitgesloten. Deze conclusie sluit aan bij de indruk die het hof heeft bekomen van de - inmiddels 83-jarige - verdachte ter terechtzitting, als een verwarde en kwetsbare persoon. Het hof sluit dan ook niet uit dat de verdachte het slachtoffer is geworden van personen die misbruik van hem hebben gemaakt.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van
mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
5 oktober 2021.
=========================================================================
[…]