Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding na verwijzing door de Hoge Raad
toelichting aanbrenging van de zaak, tevens akte uitlating verval van instantie en conclusie/memorie na verwijzing)” (hierna: de memorie na verwijzing) genomen, waarin hij naar eerdere processtukken heeft verwezen en waarbij hij producties heeft overgelegd. De man heeft geconcludeerd dat het hof de bewindvoerder niet ontvankelijk zal verklaren in het verzoek tot verval van instantie en tot afwijzing van de proceskostenveroordeling. Voor zover een tussen partijen getroffen schikking waar de man zich op beroept niet in stand blijft, heeft de man gevorderd dat het hof de waarde van de woning overeenkomstig de verkoopopbrengst zal vaststellen, daarnaast het bedrag van de rentevordering van de man op de vrouw ter zake van de verrekening en verdeling zal vaststellen, alsmede het bedrag van de pensioenaanspraken van de man op de vrouw, en voorts dat het hof zal vaststellen het bedrag voortvloeiende uit de vermeerdering van eis betreffende de verrekening van huishoudkosten, alsmede dat het hof de eindberekening van de verdeling en verrekening zal vaststellen.
2.Feiten
3.Beoordeling
Overeenkomst tussen de ondergetekenden” die zowel door de man als de vrouw is ondertekend, met als dagtekening 31 maart 2019. Het stuk bevat een regeling tussen partijen betreffende de (voormalig) gezamenlijke woning en het gevorderde bedrag van € 35.000,-- en het beding dat partijen na overdracht van de woning ter zake van de verdeling en verrekening niets meer van elkaar hebben te vorderen en alle procedures zullen staken.
akte in het geding brengen producties tevens akte bezwaar wijziging van eis” van de bewindvoerder van 27 oktober 2020 zal het hof als in strijd met de goede procesorde niet toestaan. De bewindvoerder vordert op grond van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen de veroordeling van de man in de daadwerkelijk door de bewindvoerder gemaakte proceskosten. Ook deze vordering zal het hof als tardief ingesteld buiten beschouwing laten.
“voor het geval de schikking tussen partijen zoals overeengekomen op 31 maart 2019 niet in stand blijft”.
De wettelijke rente ten aanzien van de vorderingen van de man op de vrouw reeds per datum aanzegging door de man zal ingaan, te weten 24 augustus 2010”. Na verwijzing heeft de man geconcludeerd dat het hof “
het bedrag van de rentevordering van de man op de vrouw ter zake de verrekening en verdeling vaststelt”.
ook ten aanzien van de overige vorderingen zoals genoemd in het petitum van bijgevoegde conclusie zeg ik je de wettelijke rente aan”. De bijgevoegde conclusie betreft, zo begrijpt het hof, de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, waarin onder meer de verrekenvordering wordt gevorderd. Gelet hierop en nu de vrouw de stelling van de man dat hij de vrouw met deze brief heeft gemaand tot betaling niet heeft weersproken, gaat het hof ervan uit dat de vrouw door middel van deze brief in gebreke is gesteld. Dit brengt mee dat de vrouw vanaf (een week na 24 augustus 2010, derhalve) 1 september 2010 in verzuim is met de betaling van de verrekenvordering en dat de wettelijke rente over het uit dien hoofde verschuldigde bedrag van € 50.133,- in beginsel vanaf dat moment is verschuldigd.