ECLI:NL:GHAMS:2021:2907
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedure na inschrijving echtscheiding
In deze zaak heeft de man hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank waarin onder meer de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is vastgesteld en een zorgregeling is bepaald. Tegelijkertijd verzocht hij om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 821 Rv Pro, ingediend voordat de echtscheiding was ingeschreven.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Echter, de voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra de echtscheiding is ingeschreven, wat hier op 18 mei 2021 is gebeurd. Daarom is het verzoek om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 821 Rv Pro niet-ontvankelijk.
Daarnaast kan het verzoek niet worden gebaseerd op artikel 223 Rv Pro, omdat de wetgever met de artikelen 821-826 Rv een bijzondere en uitputtende regeling heeft getroffen voor voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedures. Ook het meer subsidiaire verzoek om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 1:253a BW wordt niet ontvankelijk verklaard, omdat dit verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en de wederpartij zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden.
Het hof verklaart de man derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoeken om voorlopige voorzieningen en bevestigt daarmee de eerder getroffen zorgregeling en verblijfsplaats van de kinderen.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om voorlopige voorzieningen op grond van artikel 821 Rv en artikel 223 Rv.