Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de machtiging tot uithuisplaatsing van een jonge baby centraal. De moeder was het niet eens met de beschikking van de rechtbank die de uithuisplaatsing verlengde tot 2 oktober 2021 en verzocht om vernietiging van deze beschikking en om nader onderzoek te gelasten. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden het hof de beschikking te bekrachtigen.
De moeder oefent alleen het gezag uit over het kind en heeft een geschiedenis van (jeugd)hulpverlening sinds 2012. Ondanks intensieve hulpverlening en begeleiding, waaronder ambulante ondersteuning en kraamzorg, is de moeder volgens de GI niet in staat om het kind veilig op te voeden zonder intensieve hulp. De moeder accepteert de noodzakelijke hulp onvoldoende, toont een argwanende en afhoudende houding, en er zijn zorgen over de veiligheid van het kind, mede door de aanwezigheid van een pitbull en de dreigende houding van de vriend van de moeder tegenover hulpverleners.
Het hof overwoog dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. Hoewel de moeder liefde en basale verzorging kan bieden, zijn haar keuzes en het gebrek aan blijvende samenwerking met hulpverlening reden voor grote zorgen. Nader onderzoek werd afgewezen omdat het niet in het belang van het kind is en de aanvaardbare termijn voor duidelijkheid over het opvoedperspectief ruimschoots zou worden overschreden. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot nader onderzoek af.