In deze zaak stond de ontnemingsvordering centraal die was opgelegd aan betrokkene na zijn veroordeling wegens gewoontewitwassen door de rechtbank Noord-Holland. Het openbaar ministerie had een bedrag van €485.581,19 gevorderd als wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde in hoger beroep dat dit bedrag te hoog was, met name vanwege vermeende legale herkomst van gelden voor de aankoop van een kavel en de bouw van een woning op Curaçao.
Het hof heeft de stellingen van de verdediging onderzocht en oordeelde dat slechts een deel van de gokwinst als legaal kon worden aangenomen, terwijl de overige vermeende legale bronnen, zoals geld van de moeder en een lening van een getuige, niet aannemelijk waren. De schatting van de bouwkosten van de woning werd eveneens naar beneden bijgesteld, maar bleef substantieel. Op basis van een kasopstelling en analyse van bankgegevens, contante opnamen en uitgaven, stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €298.766.
Het hof constateerde dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, maar vond dat dit reeds voldoende was gecompenseerd door matiging van de straf. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het ontnemingsbedrag vastgesteld op €298.766, met een hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat en een gijzelingstermijn van 1080 dagen. De verplichting vervalt indien de mededader aan haar betalingsverplichting voldoet.