Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarig kind waarvoor de man een kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen. De rechtbank had de bijdrage vastgesteld op €183 per maand, uitvoerbaar bij voorraad. De man verzocht het hof om schorsing van deze beschikking totdat het hoger beroep is beslist, stellende dat hij de bijdrage niet kan betalen en dat er sprake is van een kennelijke misslag vanwege een onjuiste draagkrachtberekening.
Het hof overwoog dat het uitgangspunt is dat een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, ook tijdens hoger beroep uitgevoerd kan worden, tenzij het belang van de verzoeker bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij en het minderjarige kind. Er is geen sprake van een kennelijke misslag, aangezien de rechtbank haar berekening baseerde op redelijkerwijs te verwerven inkomsten en de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit onjuist zou zijn.
Ook het gestelde restitutierisico is onvoldoende onderbouwd, mede omdat de vrouw bereid is eventuele terugbetalingen te verrichten. Het hof concludeert dat het belang van de vrouw en het kind bij directe betaling zwaarder weegt dan het belang van de man bij schorsing of zekerheidstelling.
Daarom wijst het hof het verzoek tot schorsing en het verzoek tot zekerheidstelling af en bevestigt dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad blijft.