ECLI:NL:GHAMS:2021:309

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
23-001472-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 422 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens winkeldiefstal van hoofdtelefoons met verwerping betwisting cameraherkenning

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor twee gevallen van diefstal van hoofdtelefoons bij een winkel te Schiphol. De verdachte werd beschuldigd van het wegnemen van hoofdtelefoons op 13 en 18 maart 2019.

De verdediging voerde aan dat het oogmerk op diefstal ontbrak bij het eerste feit en dat de herkenning op camerabeelden bij het tweede feit onbetrouwbaar was. Het hof verwierp deze verweren. De verdachte werd op 18 maart 2019 op heterdaad betrapt met een hoofdtelefoon in een doos, nadat de alarmpoortjes afgingen. De verklaringen van de verdachte over een vriend die geld zou halen waren inconsistent en ongeloofwaardig.

Voor het tweede feit oordeelde het hof dat de herkenning op basis van camerabeelden betrouwbaar was, mede vanwege dezelfde kleding en gezelschap. Het hof achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 weken, waarbij de tijd van voorarrest in mindering wordt gebracht. Het hof vond een geheel voorwaardelijke straf niet passend vanwege de ernst en recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor tweemaal winkeldiefstal van hoofdtelefoons.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001472-19
datum uitspraak: 21 januari 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-064580-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
adres: [adres],
thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 18 maart 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een hoofdtelefoon (merk: Bang & Olufsen, ter waarde van € 399,-), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 13 maart 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer twee hoofdtelefoons (merk: Bang & Olufsen (B&O), ter waarde van € 499,- per stuk), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat bij de verdachte het oogmerk op de diefstal ontbrak. De grenzen van de winkel waren onduidelijk en de verdachte liep slechts naar een vriend die buiten de winkel op een bankje zat, om geld te halen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onduidelijk is waarop de verbalisant de herkenning van de verdachte op de camerabeelden heeft gebaseerd; er zijn onvoldoende specifieke kenmerken genoemd om te spreken van een betrouwbare herkenning.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van feit 1 overweegt het hof als volgt. De verdachte was op 18 maart 2019 samen met een vrouw in de winkel [winkel] aanwezig. Daar pakte hij een witte doos met daaromheen een zogenoemde alarmspin en legde deze op zijn bagagekar. Hij liep met de bagagekar richting de uitgang van de winkel, waarop de alarmpoortjes afgingen: een duidelijke indicatie dat de verdachte de winkel verliet. Vervolgens liep de verdachte met de witte doos weg van de winkel, waarna hij werd aangehouden en de doos met daarin een hoofdtelefoon in beslag werd genomen. Het voorgaande is redengevend voor de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. De verdachte heeft geen aannemelijke, verifieerbare die redengevendheid ontzenuwende verklaring afgelegd die maakt dat tot een andere conclusie zou moeten worden gekomen. Immers: niet alleen is de vriend die het geld zou hebben nooit aangetroffen, maar bovendien heeft de verdachte op verschillende momenten verschillende verklaringen over de al-dan-niet aanwezigheid van die vriend afgelegd en deze persoon ook met verschillende namen aangeduid. Het door hem geschetste alternatieve scenario is dan ook geenszins aannemelijk geworden. Gelet op deze omstandigheden, is het hof van oordeel dat de verdachte het oogmerk op de diefstal van de hoofdtelefoon had. Het hof komt dus tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 2 overweegt het hof als volgt. De verbalisant heeft de camerabeelden van de diefstal op 18 maart 2019 (waarvan gelet op het bovenstaande de verdachte de dader was) vergeleken met de camerabeelden van de diefstal op 13 maart 2019. De verbalisant herkende de personen (waaronder de dader van de diefstal op die dag) op de camerabeelden van 13 maart 2019 als zijnde dezelfde personen op de camerabeelden van 18 maart 2019. Het hof is van oordeel dat de stills in het dossier voldoende duidelijk zijn om tot een betrouwbare herkenning te kunnen komen. Daarnaast acht het hof de volgende omstandigheden van belang. De man op de beelden van 13 maart 2019 droeg dezelfde kleding als de verdachte op de beelden van 18 maart 2019, te weten een donkere hoodie met twee witte veters en een wit balkje op de buik. Bovendien verkeerde de persoon op de beelden van 13 maart 2019 in hetzelfde gezelschap als de verdachte op 18 maart 2019. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de verbalisant op de beelden van 13 maart 2019.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 18 maart 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een hoofdtelefoon (merk: Bang & Olufsen, ter waarde van € 399,-), die toebehoorde aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 13 maart 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een hoofdtelefoon (merk: Bang & Olufsen (B&O), ter waarde van € 499,-), die toebehoorde aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
telkens: diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De verdachte heeft in het verleden niet eerder hulpverlening gekregen. In een andere zaak van de verdachte heeft de reclassering geadviseerd een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht als voorschot de voorwaarden die de reclassering in die zaak heeft geadviseerd, (tevens) in onderhavige zaak op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een week tweemaal in de winkel [winkel] schuldig gemaakt aan diefstal van een hoofdtelefoon met een aanzienlijke waarde. Dit zijn hinderlijke feiten, waarmee overlast voor de winkelier wordt veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte te kennen gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom. De verdachte deed dit kennelijk om zijn verslaving te bekostigen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2020 is hij eerder veelvuldig ter zake van soortgelijke misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Deze veroordelingen hebben hem er echter niet van weerhouden opnieuw een soortgelijke delicten te begaan. Het hof houdt hiermee rekening ten nadele van de verdachte.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de feiten en de recidive, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt. Een geheel voorwaardelijke straf zoals door de raadsvrouw bepleit, doet geen recht aan de ernst van de feiten. Het hof ziet ook geen enkele aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen; dat is een gepasseerd station.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 weken passend en geboden. Het hof realiseert zich dat deze straf hoger is dan in eerste aanleg is opgelegd, waarbij tevens geldt dat het hof ten aanzien van feit 2, anders dan de politierechter, enkel de diefstal van één hoofdtelefoon bewezen acht. Het voorgaande maakt echter dat enkel deze straf passend is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 januari 2021.
De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]