Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
EEMLAND WERKT,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond centraal of de Omgevingsdienst De Vallei aansprakelijk was voor schade die appellant stelde te hebben geleden door de vermeende eenzijdige beëindiging van een overeenkomst van opdracht. Appellant, werkzaam als zzp'er op het gebied van omgevingsrecht, begon op 1 juli 2017 werkzaamheden voor De Vallei. Na een gesprek op 21 november 2017 werd de overeenkomst beëindigd, waarbij appellant stelde dat De Vallei de overeenkomst eenzijdig had beëindigd, terwijl De Vallei sprak van beëindiging met wederzijds goedvinden.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om eenzijdige beëindiging aan te tonen, en wees zijn vorderingen af. In hoger beroep handhaafde het hof deze beoordeling. Het hof nam mee dat appellant na beëindiging geen protest had aangetekend en slechts facturen voor reeds gewerkte uren had ingediend, terwijl hij elders wel bezwaar maakte tegen de fraudebeschuldiging die aan de beëindiging voorafging.
De Vallei onderbouwde haar standpunt met schriftelijke verklaringen dat het vertrouwen was geschaad door het niet terugbrengen van uren bij een andere opdrachtgever. Het hof stelde vast dat appellant onvoldoende feiten had gesteld om de eenzijdige beëindiging aannemelijk te maken en verwierp het bewijsaanbod van appellant als irrelevant voor de kern van de zaak.
De conclusie is dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd, dat er geen tekortkoming of onrechtmatige daad van De Vallei is vastgesteld, en dat de vorderingen van appellant in hoger beroep worden afgewezen. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bewijs van eenzijdige beëindiging.