Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin de betrokkene was veroordeeld voor diefstal in vereniging op 25 mei 2020. De rechtbank had de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie afgewezen.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de totale waarde van de gestolen goederen €54.666,64 bedroeg, maar schatte de marktwaarde lager op €40.000,-. Het hof achtte het ongeloofwaardig dat de betrokkene geen of slechts beperkt voordeel had genoten, mede gelet op de omstandigheden van zijn aanhouding kort na het misdrijf.
Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene op €8.000,-, rekening houdend met het aantal betrokkenen. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene stelde het hof het te betalen bedrag lager vast op €4.000,-. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof legde de ontnemingsverplichting op aan de betrokkene.