ECLI:NL:GHAMS:2021:3306
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging tijdelijke omgangsregeling na verhuizing en ondertoezichtstelling minderjarige
Het geschil betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank waarin een tijdelijke omgangsregeling met zijn minderjarige dochter is vastgesteld. De vrouw, met wie de dochter sinds een echtscheiding onder eenhoofdig gezag staat, is verhuisd naar een andere regio. De man wenste aanvankelijk een co-ouderschapsregeling, maar trok dit in gezien de verhuizing. Hij verzocht om een regeling waarbij de dochter eens per twee weken in het weekend en de helft van de vakanties bij hem verblijft.
De omgang tussen vader en dochter verloopt positief, maar de dochter ervaart spanningen en loyaliteitsconflicten, mede door de verstoorde communicatie tussen ouders en de verhuizing. De minderjarige staat sinds 2017 onder toezicht en de hulpverlening is nog niet volledig op gang gekomen. De Raad voor de Kinderbescherming en betrokken jeugdbeschermers adviseren terughoudendheid en benadrukken het belang van kwalitatieve omgang en verdere hulpverlening.
Het hof oordeelt dat de tijdelijke omgangsregeling van de rechtbank passend is gezien de huidige omstandigheden en het belang van de minderjarige. Het verzoek tot uitbreiding wordt afgewezen omdat onvoldoende zicht bestaat op de effecten daarvan. Het hof benadrukt het belang van het snel inzetten van hulpverlening, waaronder een vertrouwenspersoon voor de minderjarige en een traject voor de ouders om spanningen te verminderen. De definitieve beslissing over de omgangsregeling wordt verwezen naar de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tijdelijke omgangsregeling en wijst het verzoek tot uitbreiding af vanwege onvoldoende zicht op het belang van de minderjarige.