Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.TULP 1 ONTWIKKELING B.V.,
geïntimeerden,
3.O+M TEAM 2 B.V.,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1voert Arc2 aan dat de kantonrechter heeft nagelaten de feiten en omstandigheden vast te stellen die van belang zijn voor het antwoord op de ontlenings- en inbreukvraag. Met
grief 2komt Arc2 op tegen de door de kantonrechter aanlegde maatstaf voor een auteursrechtelijk beschermd werk. Met
grief 3voert Arc2 aan dat de kantonrechter onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen de werktoets en het inbreukcriterium en daarnaast een onjuist inbreukcriterium heeft gehanteerd. Met de laatste twee grieven komt Arc2 op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het Tulp-ontwerp geen inbreuk maakt op het ParkWonen-ontwerp (
grief 4) en tegen de afwijzing van haar vorderingen met veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv (
grief 5).
Artikel 8 Auteurswet Pro vereist dat een rechtspersoon een werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder daarbij enig natuurlijk persoon als maker van dat werk te vermelden. Arc2 heeft gesteld dat de eerste openbaarmaking van het ParkWonen-ontwerp heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Dit betreft het per mail toezenden van het ontwerp met projectvoorstel aan de gemeente Almere. Deze mail is echter niet door Arc2 toegezonden aan de gemeente, maar door één van haar partners in dit project (Scope Bouwmanagement B.V.), die het ontwerp mede namens Arc2 en de andere partner, Nikkessen Projecten, aan de gemeente heeft toegezonden. Uit de meegezonden afbeelding van het ontwerp volgt verder dat in de bijbehorende legenda als architect wordt vermeld “Arc2 architecten” maar dat in de voettekst daaronder wordt vermeld: “Arc2 architecten bna - ir. [X] ”. Daarnaast is gebleken dat [X] het ParkWonen-ontwerp nadien (april 2016) ook op zijn persoonlijke facebookpagina openbaar heeft gemaakt en dat één van de samenwerkende partners (Nikkessen Projecten) het indienen in maart 2016 bij de gemeente van het ParkWonen-ontwerp in een mailbericht van 23 november 2020 aan [X] als volgt heeft bevestigd: “In maart 2016 hebben wij het door jou ontworpen PrakWonen-project [sic] bij de gemeente gepresenteerd middels de overhandiging van het Ontwerpboek van Arc2 architecten d.d. maart 2016.”. Ook in het geval het ParkWonen-ontwerp in de weken na de eerste openbaarmaking aan de gemeente nog openbaar zou zijn gemaakt (op een website) op naam van Arc2 en zonder vermelding van [X] – zoals door Arc2 is gesteld en ten aanzien waarvan zij ter zitting een bewijsaanbod heeft gedaan – laat zulks onverlet dat in de allereerste openbaarmaking aan de gemeente de naam van [X] is vermeld en deze naamsvermelding niet anders kan worden opgevat dan ter aanduiding van de (natuurlijke) maker van het ParkWonen-ontwerp. Daarbij komt dat niet enkel kort nadien [X] zich op zijn facebookpagina als de maker van het ParkWonen-ontwerp heeft gepresenteerd, maar ook dat, afgaande op de uitspraak van een betrokken partner, de openbaarmaking aan de gemeente werd opgevat als het indienen van een van [X] afkomstig werk en niet van een van Arc2 afkomstig werk. Op grond hiervan is niet voldaan aan de eisen van artikel 8 Auteurswet Pro, zodat het auteursrecht blijft berusten bij de natuurlijke maker.Het beroep van Arc2 op artikel 8 Auteurswet Pro slaagt niet.
O+M Team 2 heeft in eerste aanleg enkel de declaratie voor werkzaamheden tot en met 17 april 2019 overgelegd en aldus verzuimd tijdig een gespecificeerd kostenoverzicht over te leggen voor alle werkzaamheden. O+M Team 2 heeft dit verzuim in appel hersteld door dit volledige kostenoverzicht alsnog over te leggen. Naast de reeds overgelegde declaratie (voor een bedrag van € 2.730 aan honorarium exclusief BTW), betreft dit een gespecificeerde declaratie voor werkzaamheden van 15 mei 2019 tot en met 21 mei 2019 (voor een bedrag van € 525 aan honorarium exclusief BTW) en een specificatie van werkzaamheden van 24 mei tot en met 18 september 2019 (voor een bedrag van € 1.848 aan honorarium exclusief BTW). Het hof verwerpt het door Arc2 ingenomen standpunt dat het vorderen van de kosten voor deze aanvullende werkzaamheden ‘tardief’ is en het redelijkheidsgehalte van deze kosten niet meer valt te verifiëren. Specificaties van deze kosten zijn tijdig overgelegd in appel en Arc2 heeft alle gelegenheid gehad hierop te reageren, hetgeen zij heeft nagelaten. Nu het hof deze kosten voldoende gespecificeerd acht en, met in achtneming van de indicatietarieven in IE-zaken, ook niet onredelijk acht, zal aan O+M Team 2 alsnog het volledige bedrag aan advocaatkosten worden toegewezen. Het hof gaat daarbij evenwel – anders dan de kantonrechter – uit van de honorarium bedragen exclusief BTW, omdat niet is gesteld of gebleken dat O+M Team 2 deze BTW niet kan verrekenen met haar BTW-aangifte. Dit resulteert in een toewijsbaar totaalbedrag van € 5.103 (€ 1.799,70 hoger dan de toewijzing door de kantonrechter in eerste aanleg).