Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- [de vader] (hierna: de vader);
- de na te noemen minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1] );
- de na te noemen minderjarige [kind 2] (hierna: [kind 2] ).
Gerechtshof Amsterdam
De moeder kwam in hoger beroep tegen de beschikkingen van de rechtbank die machtigingen tot uithuisplaatsing van haar kinderen bij de vader verleenden. De kinderen stonden sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege zorgen over hun veiligheid en welzijn.
De spoedplaatsing volgde op een melding van een orthopedagoog over mogelijke huiselijk geweldsituaties, waarbij de moeder niet wilde meewerken aan hulpverlening en onderzoek. De moeder betwistte de urgentie en de veiligheidssituatie, maar het hof vond de acute noodzaak voldoende onderbouwd.
De vader en GI stelden dat er meerdere zorgen waren over de thuissituatie van de moeder, waaronder agressief gedrag en mogelijke negatieve beïnvloeding van de kinderen. De moeder toonde onvoldoende bereidheid tot reflectie en samenwerking met hulpverleners.
Het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat plaatsing bij de vader, ondanks zorgen over diens houding, het beste was voor de veiligheid van de kinderen. Het verzoek van de moeder tot een deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat lopend onderzoek nog niet was afgerond.
De bestreden beschikkingen van 15 maart 2021 en 3 mei 2021 werden daarom bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsingsbeschikkingen van de kinderen bij de vader wegens acute veiligheidszorgen en onvoldoende medewerking van de moeder.