De betrokkene is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter die zijn goederen onder bewind stelde wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand, met Borgstaete B.V. als bewindvoerder. De betrokkene wenst het bewind te laten opheffen of de grondslag te wijzigen naar verkwisting of problematische schulden, omdat hij de oorspronkelijke grond als stigmatiserend ervaart.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de bewindvoerder dat de betrokkene direct na aanvang van het bewind liet weten dit niet te willen en dat de onderbewindstelling niet als voorwaarde had mogen worden gesteld voor het verkrijgen van een woning. De betrokkene heeft vier schuldeisers en een schuld van bijna €40.000, met lage inkomsten uit een Ziektewetuitkering.
Het hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie hoger beroep niet ontvankelijk is als het verzoek strekt tot het ongedaan maken van een beschikking die exact toewijst wat is verzocht, enkel omdat de betrokkene zich bedenkt over de gevolgen. Het hof geeft de betrokkene gelegenheid zich uit te laten over de ontvankelijkheid van zijn verzoek en houdt verdere beslissing aan.