Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter te Rotterdam van 25 juni 2020. Het hoger beroep betrof meerdere tenlasteleggingen, waarvan het hof de niet-ontvankelijkheid verklaarde voor de onderdelen onder 2 en 3.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de opgelegde straf betrof en legde een nieuwe straf op bestaande uit een gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van negentig uur. Daarnaast werd een hechtenis van 45 dagen opgelegd, die bij niet-naleving van de taakstraf in werking treedt.
De opgelegde gevangenisstraf is voorwaardelijk voor de duur van twee jaren, waarbij de uitvoering wordt opgeschort tenzij de verdachte binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit pleegt. Tevens werd bepaald dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter voor het overige, waarmee het hoger beroep deels werd toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door mr. D. Radder, in aanwezigheid van griffier mr. C. Roseboom.