Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter Amsterdam van 22 juni 2021, waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €644 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was eerder onherroepelijk veroordeeld voor diefstal met braak gepleegd op 14 februari 2018.
In hoger beroep voerde de raadsman van betrokkene aan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager was dan vastgesteld, omdat de gestolen goederen met drie anderen waren verkocht en betrokkene slechts €150 contant had ontvangen. Het hof verwierp dit verweer vanwege het ontbreken van bewijs voor medeplegen en de onherroepelijke veroordeling van betrokkene als enige dader.
Het hof stelde vast dat de waarde van de gestolen goederen €2.149,92 bedroeg en dat betrokkene zelf de goederen had verkocht en het voordeel had genoten. Het hof achtte het bedrag van €644 als een redelijke schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bevestigde het vonnis van de kinderrechter met enkele aanpassingen in de motivering.