De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote. In hoger beroep stelde zijn raadsman dat sprake was van noodweer, waardoor de wederrechtelijkheid van het handelen zou ontbreken en de verdachte vrijgesproken moest worden. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en consistent was en voldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder het letsel van beide partijen.
De feitelijke toedracht was dat de verdachte de telefoon van zijn echtgenote tegen haar jukbeen gooide, haar schopte, haar haar trok en haar de mond bedekte, terwijl de aangeefster zich probeerde te verdedigen. Het hof concludeerde dat de verdachte de agressor was en dat geen sprake was van gerechtvaardigd noodweer. De mishandeling vond plaats in de woning, wat het vertrouwen en de veiligheid van het slachtoffer ernstig aantastte.
Gezien de ernst van het feit en het eerdere strafblad van de verdachte, was een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Echter, omdat de verdachte reeds een gevangenisstraf van vier jaar in een andere zaak ondergaat, legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op met een proeftijd van twee jaar. Hiermee werd de ernst van het feit erkend en werd beoogd herhaling te voorkomen.