De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal van bier en frisdrank uit een winkel te Amsterdam op 25 augustus 2018. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De verdachte had eerder onherroepelijke veroordelingen voor vermogensmisdrijven, wat leidde tot een speciale recidive. Dit woog zwaar mee in de strafoplegging. De politierechter had reeds een gevangenisstraf van zeven dagen opgelegd, met aftrek van voorarrest.
Het hof bevestigde deze straf en vond geen aanleiding tot vermindering, mede gelet op de ernst van het feit, de overlast voor het winkelpersoneel en de recidive van de verdachte. Tevens wees het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf af.
De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de straf.