ECLI:NL:GHAMS:2021:3700

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
23-001531-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs belaging en smaadschrift na beëindiging relatie

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van belaging en het verspreiden van smaadschriften jegens zijn ex-partner en haar omgeving. De tenlastelegging betrof het stelselmatig en opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer door middel van berichten via Twitter, WhatsApp, e-mail en brieven in de periode van juni 2015 tot november 2016.

Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat verdachte na het beëindigen van een langdurige relatie meerdere berichten had gestuurd aan zijn ex-partner, haar schoonzus en een goede vriendin, alsmede enkele berichten aan de nieuwe partner van zijn ex. Verdachte verklaarde deze berichten te hebben gestuurd uit moeite met het beëindigen van de relatie en om te waarschuwen voor de nieuwe partner.

Het hof oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond om aan te nemen dat verdachte het opzet had om stelselmatig inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer of een ander. Ook werd geoordeeld dat de uitlatingen niet aan een bredere kring van derden waren bekendgemaakt, waardoor het vereiste van ruchtbaarheid voor smaadschrift niet was voldaan.

Daarom vernietigde het hof het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Dit arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 26 november 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van belaging en smaadschrift wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001531-19
datum uitspraak: 26 november 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-217030-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten
wijzigingis aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 november 2016 te Amstelveen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, een Twitterbericht geplaatst en/of veelvuldig op verschillende data in voornoemde periode telkens (WhatsApp)berichten en/of e-mails en/of brieven aan
de betrokkenenvan die [slachtoffer] gestuurd;
subsidiair
hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 november 2016 te Amstelveen, althans in Nederland, opzettelijk, door middel van verspreiding van een of meerdere geschrift(en) en/of afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een of meerdere bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel een Twitterbericht geplaatst en/of veelvuldig op verschillende data in voornoemde periode telkens (WhatsApp)berichten en/of e-mails en/of brieven aan
de betrokkenenvan die [slachtoffer] gestuurd en onder meer medegedeeld dat die [slachtoffer]
- de bank Goldman Sachs voor miljoenen heeft opgelicht en/of
- via Class Actions voor persoonlijk gewin heel veel geld heeft verkregen en/of
- bij Kas Bank is ontslagen in verband met disfunctioneren en/of
- een gesjeesde boekhouder is en/of
- een (serieuze) crimineel is en/of
- een fraudeur is en/of
- een 'walking liability' is voor velen, vooral voor de meisjes (van [naam]) en/of
- een 'burning oil rig' is.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt het volgende.
Ten aanzien van de primair tenlastegelegde belaging:
Niet ter discussie staat dat de verdachte in de tenlastegelegde periode, na het eindigen van een langdurige liefdesrelatie, meerdere berichten naar zijn ex-vriendin heeft gestuurd en ook aan de schoonzus en een goede vriendin van zijn ex. Daarnaast heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode één e-mail aan de aangever – de toenmalige nieuwe partner van zijn ex – geschreven en in totaal drie SMS-berichten en een Whatsapp-bericht aan de aangever verzonden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij toentertijd moeite had om het einde van de relatie te accepteren. Hij verstuurde deze berichten omdat hij enerzijds wilde dat het weer goed zou komen met zijn ex en anderzijds wilde hij haar waarschuwen voor haar nieuwe partner, de aangever in deze strafzaak.
Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met het sturen van de berichten het opzet had om stelselmatig inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangever. Veruit de meeste van zijn berichten zijn namelijk gestuurd aan anderen dan de aangever, terwijl bovendien de aard en inhoud van de berichten overeen komt met de intentie zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verwoord, namelijk dat ze bedoeld waren als waarschuwing aan zijn vriendin voor haar nieuwe vriend. Hoewel de tenlastelegging ook de mogelijkheid inhoudt dat de stelselmatige inbreuk op ‘een ander’ dan de aangever was gericht, acht het hof dit evenmin wettig en overtuigend bewezen, reeds omdat er geen door een ander gedane aangifte in het dossier aanwezig is en dit door het openbaar ministerie ook niet is bepleit.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegd smaadschrift:
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van smaad/smaadschrift onder meer is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan het door hem tenlastegelegde feit ruchtbaarheid te geven. Onder "ruchtbaarheid geven" als bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient te worden verstaan "het ter kennis van het publiek brengen". Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.
De verdachte heeft de in de tenlastelegging bedoelde ‘mededelingen’ per e-mail en whatsappbericht kenbaar gemaakt aan zijn ex, haar schoonzus en haar goede vriendin. Het hof overweegt dat de verdachte, gelet op de beperkte kring van (min of meer) betrokkenen waarbinnen hij de uitlatingen heeft gedaan, niet de bedoeling heeft gehad om de tenlastegelegde ‘mededelingen’ bekend te maken binnen een bredere kring van willekeurige derden, zodat niet is voldaan aan het vereiste van ‘ruchtbaarheid geven’.
Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde daarom evenmin wettig en overtuigend bewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. C.J. van der Wilt en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 november 2021.
Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.