In deze zaak stond de verdachte terecht voor het in vereniging opzettelijk invoeren van bijna 15 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde hem in eerste aanleg tot 48 maanden gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd behalve de strafoplegging, die het vernietigde en opnieuw bepaalde.
Het hof oordeelde dat onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden voor nauwe samenwerking tussen de verdachte en een medeverdachte met betrekking tot de invoer van de drugs. De ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de impact op volksgezondheid en criminaliteit rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Tegelijkertijd hield het hof rekening met de ouderdom van het feit, het ontbreken van recidive en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder spijtbetuiging en zijn maatschappelijke positie. Ook werd de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep meegenomen.
Daarom legde het hof een gevangenisstraf op van 22 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Dit arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 1 december 2021.