ECLI:NL:GHAMS:2021:3842

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
000668-21 (530 Sv) en 000664-21 (533 Sv)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 89 SvArt. 533 SvArt. 9a SrArt. 591a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schadevergoeding wegens vrijheidsbeneming zonder inverzekeringstelling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam waarin zijn verzoek tot schadevergoeding wegens vrijheidsbeneming voorafgaand aan inverzekeringstelling werd afgewezen. De strafzaak eindigde zonder strafoplegging en zonder toepassing van artikel 9a Sr (sepot wegens onvoldoende bewijs).

De rechtbank oordeelde dat artikel 89 Sv Pro geen vergoeding toekent voor de periode waarin een verdachte wordt opgehouden voor verhoor, maar pas vanaf het moment van inverzekeringstelling. Appellant voerde aan dat artikel 5 EVRM Pro bescherming biedt tegen willekeurige vrijheidsbeneming en dat deze bescherming rechtstreeks doorwerkt in de nationale rechtsorde, waardoor een vergoeding toch toekenningswaardig zou zijn.

Het hof stelde vast dat appellant slechts was aangehouden en opgehouden voor verhoor, zonder inverzekeringstelling, en dat de vrijheidsbeneming niet onrechtmatig was. Het hof volgde de rechtbank in de uitleg dat artikel 89 Sv Pro een voldoende implementatie is van artikel 5 EVRM Pro en dat de nationale wet voorrang heeft. Daarom bestaat geen recht op vergoeding. Ook voor de kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure zag het hof geen gronden van billijkheid voor vergoeding.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking onverwijld aan appellant betekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat geen recht op schadevergoeding bestaat zonder inverzekeringstelling.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000668-21 (530 Sv) en 000664-21 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13-090120-19
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2019 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 (oud) en 591a (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. J. van Bennekom,
Admiraal de Ruijterweg 213a, 1056 GH Amsterdam.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 23 oktober 2019 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 9 november 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 210,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 280,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 280,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (sepot onvoldoende bewijs).
Ad a en ad b
De rechtbank heeft de verzochte vergoeding afgewezen en dit als volgt gemotiveerd:
De rechtbank stelt vast dat in de onderliggende casus geen sprake is geweest van een inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 89 Sv Pro.
De regeling zoals die is neergelegd in artikel 89 Sv Pro voorziet niet in toekenning van een schadevergoeding voor de periode waarin een verdachte wordt opgehouden voor verhoor, maar pas vanaf het moment van inverzekeringstelling. De advocaat stelt dat de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geweest en dat ondanks dat geen sprake is geweest van inverzekeringstelling een schadevergoeding moet worden toegekend. Hij doet daartoe een beroep op artikel 5, vijfde lid, EVRM, dat beoogt bescherming te bieden tegen willekeurige vrijheidsbeneming.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de schade door vrijheidsbeneming in de periode voorafgaande aan de inverzekeringstelling op grond van het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro naar analogie van hetgeen is bepaald in artikel 89 Sv Pro toch voor vergoeding in aanmerking komt en of zij bij de beoordeling van dit verzoek rechtstreeks moet teruggrijpen op artikel 5 EVRM Pro.
De rechtbank kan deze gedachtegang niet volgen. Artikel 5 EVRM Pro beoogt bescherming te bieden tegen willekeurige vrijheidsbeneming. Artikel 89 Sv Pro is een voldoende implementatie van artikel 5 EVRM Pro. Het komt tegemoet aan de door artikel 5 EVRM Pro beoogde bescherming in gevallen waarin de strafzaak eindigt zonder strafoplegging, ongeacht de rechtmatigheid of onrechtmatigheid. Onze wetgever heeft er daarbij voor gekozen om de bescherming zich niet te laten uitstrekken tot de aan de inverzekeringstelling voorafgaande vrijheidsbeneming. De (implementatie in de) nationale wet prevaleert.
Gelet hierop kan verzoeker geen aanspraak maken op de gevraagde vergoeding en dient het verzoek te worden afgewezen. Verzoeker kan een klacht indienen en zich tot de civiele rechter wenden.
De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen gronden van billijkheid aanwezig de standaardvergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman voor indiening van het onderhavige verzoek.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding voor de dag die appellant is opgehouden voor verhoor niet kan worden toegewezen, nu de wet niet in een zodanige mogelijkheid voorziet. Pas in het geval van inverzekeringstelling is ruimte voor vergoeding. Nu het voorgaande evident uit de wet volgt, dient ook geen vergoeding te worden toegekend voor het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.
Namens appellant is gesteld dat de beschikking van de rechtbank berust op een onjuiste uitleg van het recht. Artikel 5 EVRM Pro werkt rechtstreeks door in de nationale rechtsorde, waardoor een justitiabele een beroep kan doen op het bepaalde in dat artikel. Het internationale recht prevaleert derhalve. In geval van discrepantie met het nationale recht, dient voorrang gegeven te worden aan het EVRM. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar jurisprudentie van het EHRM en het Europese Hof van Justitie.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat in onderhavige zaak geen sprake is geweest van een inverzekeringstelling, als bedoeld in artikel 533 Sv Pro. Appellant is aangehouden en opgehouden voor verhoor. Dat appellant vervolgens is heengezonden en de zaak geseponeerd werd, maakt de vrijheidsbeneming niet onrechtmatig. Nu niet gebleken is dat sprake was van een onrechtmatige detentie, is geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro. Gelet op het voorgaande kan appellant geen aanspraak maken op de gevraagde vergoeding en dient het verzoek te worden afgewezen.
Ad c
Met betrekking tot het verzoek tot forfaitaire vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure overweegt het hof dat een (deels) afwijzende beslissing op het onderliggende verzoek dat ziet op de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de verzoekschriftprocedure moet worden afgewezen. Ook bij vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure gaat het om een billijkheidsoordeel. Geen gronden van billijkheid bestaan indien het appellant, voorzien van een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hiervan in casu sprake is. Er zijn dan ook geen gronden van billijkheid voor een vergoeding ter zake van kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof:
Wijst het hoger beroep af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. F.A. Hartsuiker, V.M.A. Sinnige en A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van dit hof van 7 december 2021.