ECLI:NL:GHAMS:2021:3851

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
7 december 2021
Zaaknummer
001017-21 (529 Sv), 000777-21 (530 Sv) en 000776-21 (533 Sv)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 529 SvArt. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhoging forfaitaire vergoeding en toekenning kostenvergoeding in strafzaak zonder strafoplegging

Verzoeker heeft een vergoeding gevraagd voor schade door verzekering en voorlopige hechtenis, kosten van een reclasseringsrapportage, en kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure. De strafzaak eindigde zonder strafoplegging.

Het hof oordeelt dat voor de buitenlandse detentie een forfaitaire vergoeding van €130 per dag passend is, maar wijst de gevraagde verhoging af. De kosten voor het reclasseringsrapport worden niet vergoed omdat dit niet het belang van het onderzoek heeft gediend. Wel worden de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure volledig toegekend.

De totale vergoeding bedraagt €150.046,50. Het hof benadrukt dat toekenning van schadevergoeding afhankelijk is van billijkheid en omstandigheden van de zaak. De beschikking is uitgesproken in raadkamer zonder aanwezigheid van verzoeker, die wel schriftelijk heeft gereageerd.

De uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van vergoeding voor kosten die niet direct bijdragen aan het strafrechtelijk onderzoek en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van gemaakte kosten in verzoeken tot schadevergoeding na niet-opleggen van straf.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding toe van €150.046,50 en wijst het overige af.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 001017-21 (529 Sv), 000777-21 (530 Sv) en 000776-21 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002077-18
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 529, 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1952 te [geboorteplaats],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M. Jonk,
Veembroederhof 109, 1019 HD Amsterdam.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 18 augustus 2021 ingekomen.
Op 3 november 2021 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 9 november 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen. Omdat verzoeker niet in raadkamer kon verschijnen heeft de advocaat van verzoeker op 9 november 2021 een e-mailbericht gestuurd met daarin aanvullende stukken van verzoeker zelf, waaruit het standpunt van verzoeker blijkt.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 92.690,00;
kosten gemaakt in verband met het laten opmaken van een rapportage door een deskundige, die volgens verzoeker het belang van het onderzoek hebben gediend, ten bedrage van € 700,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 60.076,50;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 9 juli 2021 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Ad a
Verzoeker heeft van 17 juni 2017 tot 26 juli 2017 uitleveringsdetentie ondergaan.
Verzoeker is op 26 juli 2017 in Nederland in verzekering gesteld. Vervolgens is op 28 juli 2017 de voorlopige hechtenis van verzoeker bevolen. Verzoeker is op 11 november 2019 in vrijheid gesteld.
De advocaat van verzoeker heeft bepleit dat de forfaitaire vergoeding voor de periode die verzoeker in het buitenland in detentie heeft doorgebracht dient te worden vermeerderd met € 60,00 per dag. Verzoeker heeft deze periode immers in beperkingen doorgebracht en daardoor is deze periode substantieel zwaarder uitgevallen dan een detentieperiode in een Nederlandse cel in beperkingen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker pas tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep bij het hof op 25 juni 2021 een uitgebreide(re) inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Gelet daarop heeft verzoeker bijgedragen aan het voortduren van de tegen hem toegepaste preventieve hechtenis. De gevolgen daarvan dienen daarmee gedeeltelijk, namelijk voor 50%, voor zijn rekening en risico te blijven. Met betrekking tot het verblijf van de dagen in de buitenlandse cel is een bedrag van €130,00 per dag redelijk.
Naar het oordeel van het hof zijn er geen redenen om af te wijken van de forfaitaire vergoeding voor de periode die verzoeker in het buitenland in detentie in beperkingen heeft doorgebracht. Het hof zal een bedrag van € 130,00 per dag toekennen voor de dagen die verzoeker in het buitenland in detentie heeft doorgebracht.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 89.290,00.
Ad b
Verzoeker heeft een vergoeding verzocht voor kosten die zijn gemaakt voor het opstellen van een adviesrapport, waarmee schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker is gemotiveerd in hoger beroep. Het verzoek van de verdediging om een reclasseringsrapportage te laten opstellen was door het hof afgewezen, waardoor verzoeker genoodzaakt was deze kosten zelf te maken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding dient te worden afgewezen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2019 en uit de beschikking waarbij de schorsing van de voorlopige hechtenis werd bevolen, blijkt immers op geen enkele wijze dat de aanwending van de kosten voor het laten opstellen van het reclasseringsrapport het belang van het onderzoek heeft gediend.
Op grond van artikel 529 Sv Pro komt verzoeker in aanmerking voor vergoeding van de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. De vraag of de aanwending van de kosten het belang van het onderzoek heeft gediend, dient het hof te beantwoorden met inachtneming van de aard en ernst van de zaak en van alle daarbij op het spel staande belangen.
Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal heeft naar het oordeel van het hof het adviesrapport dat is opgesteld op verzoek van de verdediging het belang van het onderzoek niet gediend. Gelet daarop acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding.
Ad c
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van de gehele verzochte vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak tot een bedrag van € 60.076,50.
Ad d
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00.

4.Beslissing

Het hof :
Kent op de voet van artikel 533 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 89.290,00 (negenentachtig duizend tweehonderdnegentig euro).
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 60.756,50 (zestigduizend zevenhonderdzesenvijftig euro en vijftig cent).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, F.A. Hartsuiker en V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van dit hof van 7 december 2021.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 150.046,50 (honderdvijftigduizend zesenveertig euro en vijftig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. De Zwijger Advocaten te Amsterdam o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 7 december 2021,
mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.