In deze familierechtelijke zaak staat de omgang tussen een minderjarige en zijn vader centraal, waarbij zorgen bestaan over het drugsgebruik van de vader. De vader en moeder zijn gescheiden en hebben een omgangsregeling, maar de moeder heeft zorgen over de veiligheid van het kind vanwege het drugsgebruik van de vader en eerdere incidenten.
De vader heeft meerdere toezeggingen gedaan om drugstesten te ondergaan, maar heeft deze niet nagekomen. De rechtbank heeft een omgangsregeling vastgesteld die beperkt is en de moeder heeft verzocht de omgang te schorsen en een onderzoek te laten doen naar de veiligheid van het kind.
Het hof oordeelt dat uitbreiding van de omgang in het belang van het kind is, maar alleen als de veiligheid gewaarborgd is en het vertrouwen tussen ouders hersteld wordt. Daarom krijgt de vader de mogelijkheid om binnen twee maanden drie onafhankelijke drugstesten te ondergaan. De resultaten worden gedeeld met de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming, waarna verdere beslissingen worden genomen.
De moeder blijft wantrouwend vanwege het niet nakomen van eerdere toezeggingen en de vader moet het belang van het kind vooropstellen. De zaak wordt pro forma aangehouden tot 13 maart 2022, met het verzoek aan partijen om schriftelijk te rapporteren over de voortgang.