ECLI:NL:GHAMS:2021:3922
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning alleenstaand gezag aan moeder in belang minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank waarin het gezamenlijk gezag over hun minderjarige dochter werd beëindigd en het gezag aan de moeder werd toegekend. De ouders zijn sinds 2014 gescheiden en hebben een langdurig verstoorde relatie, waarbij de man al vijf jaar geen contact meer heeft met de minderjarige.
De rechtbank had eerder de omgang van de man met de minderjarige beëindigd en de zorgregeling stopgezet. De moeder verzocht om het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag alleen aan haar toe te kennen. Het hof heeft de gewijzigde omstandigheden beoordeeld en geoordeeld dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is, omdat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen en afspraken te maken, wat nadelig is voor het belang van de minderjarige.
Het hof verwijst naar de wettelijke criteria in artikel 1:253n en 1:251a BW en bevestigt dat het ontbreken van goede communicatie niet automatisch tot beëindiging van het gezag leidt, maar in deze situatie een onaanvaardbaar risico vormt voor het kind. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af. De man blijft juridisch vader en wordt geacht betrokken te blijven bij de ontwikkeling van het kind, zoals de moeder zal blijven informeren.
De kostenveroordeling wordt afgewezen gezien de familierechtelijke aard van de procedure.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt alleen aan de moeder toegekend.