ECLI:NL:GHAMS:2021:3928

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
200.301.149/01 en 200.301.149/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot wijziging verblijf minderjarige naar neutraal pleeggezin bekrachtigd

In deze zaak staat de verblijfplaats van een minderjarige centraal die sinds 2018 via een machtiging uithuisplaatsing bij een pleegmoeder woont. De pleegmoeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de verblijfplaats van de minderjarige wilde wijzigen naar een neutraal pleeggezin. De pleegmoeder betwistte de onderbouwing van de kinderrechter en stelde dat zij voldoende zorg en stabiliteit biedt.

De gecertificeerde instelling (GI) voerde aan dat de pleegmoeder onvoldoende structuur en veiligheid kan bieden en dat de conflicten tussen pleegmoeder en moeder de ontwikkeling van de minderjarige belemmeren. Tevens is de pleegmoeder zonder toestemming met de minderjarige naar het buitenland vertrokken, waardoor toezicht onmogelijk werd. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de beschikking te bekrachtigen vanwege het belang van onbelemmerd contact met belangrijke personen en de ontwikkeling van de minderjarige.

Het hof oordeelde dat de pleegmoeder niet kan bieden wat de minderjarige nodig heeft en dat de conflicten en het handelen van de pleegmoeder de stabiliteit verstoren. Daarom is het belang van de minderjarige gediend met plaatsing in een neutraal pleeggezin. Het verzoek tot het gelasten van een raadsonderzoek werd afgewezen omdat het hof zich voldoende geïnformeerd achtte. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd eveneens afgewezen.

De bestreden beschikking werd bekrachtigd en de GI werd niet veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De beschikking tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige naar een neutraal pleeggezin wordt bekrachtigd en het schorsingsverzoek afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
Zaaknummers: 200.301.149/01 en 200.301.149/02
Zaaknummers rechtbank: C/15/319933 / JU RK 21-1639 en C/15/319936 /JU RK 21-1640
Beschikking van de meervoudige kamer van 7 december 2021 inzake
[de pleegmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep en in het incident,
verder te noemen: de pleegmoeder,
advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in het principaal hoger beroep en in het incident,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] );
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
Als informant is aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter), van 14 oktober 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De pleegmoeder is op 15 oktober 2021 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 oktober 2021 (zaaknummer 200.301.149/01). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van die beschikking (200.301.149/02).
2.2
De GI heeft op 1 november 2021 een verweerschrift ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling van het hoger beroep en het incident tot schorsing heeft op 3 november 2021 gelijktijdig achter gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. S.N. van Meijl, waarnemend voor mr. W.H. Boomstra, namens de pleegmoeder;
- de moeder, bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] .
Mr. Van Meijl heeft pleitnotities overgelegd.
2.4
Kort voor de mondelinge behandeling heeft de vader het hof meegedeeld zich te laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van mr. Neslo. Het hof heeft besloten mr. Neslo niet toe te laten tot de besloten mondelinge behandeling, omdat de vader in deze zaak geen belanghebbende is, maar als informant is opgeroepen. De vader is zelf niet gekomen.

3.De feiten

3.1
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren, [in] 2015 te [geboorteplaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 25 oktober 2016 van de rechtbank Amsterdam is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 14 oktober 2021 en loopt tot 8 november 2022.
3.3
Bij beschikking van 8 november 2018 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, hersteld bij beschikking van 19 december 2018, is [de minderjarige] op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst bij de pleegmoeder. De machtiging uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd, laatstelijk bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 14 oktober 2021 en loopt tot 8 november 2022.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de GI om op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de verblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen aldus dat zij haar verblijfplaats in een neutraal pleeggezin zal hebben, toegewezen.
De hoofdzaak (200.301.149/01)
4.2
De pleegmoeder verzoekt - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking deels te vernietigen en het verzoek de verblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen naar een neutraal pleeggezin af te wijzen en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegmoeder te verlengen, met veroordeling van de GI in de kosten van de procedure.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het incident (200.301.149/02)
4.4
De pleegmoeder verzoekt de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking ten aanzien van de wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] te schorsen tot twee weken na de uitspraak in hoger beroep, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,- met veroordeling van de GI in de kosten van de procedure in beide instanties.
4.5
De GI verzoekt, naar het hof begrijpt, het verzoek van de pleegmoeder tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De hoofdzaak (200.301.149/01)
5.1
Ingevolge artikel 1:265i BW behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de toestemming door de kinderrechter op verzoek wordt verleend en slechts wordt afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
5.2
De pleegmoeder stelt dat de kinderrechter ten onrechte heeft bepaald dat de verblijfplaats van [de minderjarige] moet worden gewijzigd. De kinderrechter heeft dit oordeel onterecht gebaseerd op het plan van aanpak van Levvel. Dit plan van aanpak is opgesteld door iemand die pas kort betrokken is bij [de minderjarige] en zij heeft daardoor geen goed beeld van de situatie. De pleegmoeder stelt [de minderjarige] namelijk wel voldoende grenzen en stimuleert [de minderjarige] om haar emoties te uiten. De systeemtherapie is, buiten schuld van de pleegmoeder, geëindigd. Het valt haar dus niet te verwijten dat die hulpverlening niet van de grond is gekomen. Dat andere hulpverlening, zoals de speltherapie voor [de minderjarige] , niet is opgestart valt de pleegmoeder evenmin te verwijten. Voorts is het oordeel van de kinderrechter dat [de minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict tussen de pleegmoeder en de moeder onjuist. De raad heeft een onderzoek verricht over de vraag naar de passendheid van een gezagsbeëindigende maatregel en op 18 juni 2021 gerapporteerd. Daarin is aangegeven dat er geen signalen zijn dat [de minderjarige] klem of verloren zit tussen de pleegmoeder en de moeder. De pleegmoeder zet zich juist in om de relatie tussen [de minderjarige] en de moeder en [de minderjarige] en de vader te verbeteren en dit wordt door de raad bevestigd. Het oordeel van de kinderrechter dat de pleegmoeder beperkt leerbaar is en hierdoor de verwachting bestaat dat de situatie op korte termijn niet verandert, is eveneens onjuist. Dit oordeel is gebaseerd op het plan van aanpak van Levvel en is alleen daarom al onjuist. Daarnaast geeft de school van [de minderjarige] aan dat de pleegmoeder tips en adviezen opvolgt. Ter zitting in hoger beroep is namens de pleegmoeder aanvullend verklaard dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] niet dusdanig ernstig is dat haar verblijfplaats moet worden gewijzigd. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed op school en de logopediste is eveneens positief. Zij zien ieder jaar dat haar ontwikkeling vooruit gaat. Van belang is dat [de minderjarige] bij pleegmoeder blijft wonen omdat zij [de minderjarige] rust en stabiliteit biedt. Als het hof besluit hier niet in mee te gaan verzoekt de pleegmoeder een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is dat haar verblijfplaats wordt gewijzigd.
Kort na de bestreden beschikking van 14 oktober 2021 is pleegmoeder met [de minderjarige] naar het buitenland vertrokken in afwachting van de uitspraak in hoger beroep, aldus de advocaat.
5.3
De GI is van mening dat het noodzakelijk is [de minderjarige] te plaatsen in een neutraal pleeggezin. De GI erkent dat de pleegmoeder een hechtingsfiguur is voor [de minderjarige] en zij moet in de rol van oma betrokken blijven in het leven van [de minderjarige] , maar niet als pleegmoeder. [de minderjarige] heeft in haar vroege jeugd huiselijk geweld meegemaakt, onder andere tussen de pleegmoeder en de moeder. Zij heeft daardoor moeite om haar emoties te uiten. Uit de verslaglegging van Levvel van 23 augustus 2021 blijkt dat de pleegmoeder onvoldoende inzicht heeft in wat [de minderjarige] nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Er zal meer gewerkt moeten worden aan de zelfstandigheid en autonomie van [de minderjarige] . Daarnaast wordt de pleegmoeder belast met de psychische problematiek van de moeder, waardoor zij [de minderjarige] niet de opvoeding kan bieden die zij nodig heeft. Voor [de minderjarige] is daarnaast van belang dat zij contact heeft met haar moeder en haar vader. Deze omgang verloopt moeizaam en dit is onvoorspelbaar voor [de minderjarige] . Door de aanhoudende conflicten tussen de pleegmoeder en de moeder komt hulpverlening niet van de grond. Er is getracht te werken aan de problematische verstandhouding van de pleegmoeder en de moeder maar door onder andere het beëindigen van de systeemtherapie is dit niet gelukt. Het patroon van conflicten tussen onder andere de pleegmoeder en de moeder maakt dat de strijd voortduurt en de GI geen mogelijkheden meer ziet om verdere hulpverlening voort te zetten. Er bestaan echter nog altijd zorgen over de opvoedsituatie bij de pleegmoeder.
Daarbij komt dat de pleegmoeder inmiddels zonder toestemming met [de minderjarige] is vertrokken en zich heeft onttrokken aan ieder toezicht van de GI. Het is de GI onbekend waar [de minderjarige] verblijft en of zij veilig is. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI aanvullend verklaard dat er geen sprake is van onwil bij de pleegmoeder en de moeder maar dat het, ondanks alle hulpverlening die reeds is ingezet, niet is gelukt om de bestaande patronen te doorbreken.
5.4
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat onterecht toestemming is verleend [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin te plaatsen. In de door de GI ingediende stukken staan veel onwaarheden. Zo heeft de GI gelogen over de aanwezigheid van [de minderjarige] bij een ruzie. [de minderjarige] is nog nooit fysiek aanwezig geweest bij een ruzie tussen haar en de pleegmoeder. Er is wel eens onenigheid tussen haar en de pleegmoeder maar dit wordt veroorzaakt door de GI. Niet alle ingezette hulpverlening is van de grond gekomen omdat onder andere de speltherapie door de GI niet is gestart. De moeder staat echter welwillend tegenover hulpverlening. In de toekomst hoopt zij dat [de minderjarige] bij haar mag komen wonen. Als dit niet mogelijk is dan kan [de minderjarige] bij de pleegmoeder blijven wonen. [de minderjarige] verblijft op dit moment met de pleegmoeder in het buitenland en het gaat daar goed met [de minderjarige] , aldus de moeder.
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Van belang is dat de opvoeder van [de minderjarige] haar belang voorop stelt zodat [de minderjarige] kan toekomen aan voor haar specifieke ontwikkelingstaken. Van belang zijn hiervoor het stimuleren van haar taalontwikkeling, schoolgang en speltherapie. Daarnaast is de raad van mening dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat zij met alle belangrijke personen in haar leven onbelemmerd contact kan hebben zodat zij haar eigen identiteit kan ontwikkelen. Ook het contact met haar vader valt hieronder. Omdat zowel bij de moeder als bij de pleegmoeder een duidelijke visie bestaat over waar [de minderjarige] dient op te groeien, namelijk bij de moeder, en indien dit niet mogelijk is, bij de pleegmoeder, is het van belang [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin te plaatsen. Op die manier kan [de minderjarige] onbelemmerd contact hebben met alle belangrijke personen in haar leven en kan zij meer toekomen aan haar ontwikkelingstaken. De raad heeft in oktober 2021 een aanvullend rapport (op de rapportage van 28 juni 2021) uitgebracht dat ziet op het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. De raad acht het zorgelijk dat op dit moment onduidelijk is waar [de minderjarige] verblijft en dat [de minderjarige] niet op school en logopedie verschijnt.
5.6
Het hof overweegt dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] een belaste voorgeschiedenis kent waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld tussen haar vader en moeder en tussen haar moeder en de pleegmoeder. [de minderjarige] is door de moeder in het verleden op diverse adressen ondergebracht alvorens [de minderjarige] in 2018 bij de pleegmoeder is gaan wonen, uiteindelijk via een machtiging uithuisplaatsing. Levvel is sinds oktober 2018 betrokken. Op de basisschool van [de minderjarige] is opgemerkt dat zij een flinke vooruitgang heeft laten zien in vergelijking met haar start op 1 augustus 2019. Haar zelfvertrouwen en spraak- en taalontwikkeling was desondanks onvoldoende voor het startniveau in groep 3. Logopedie heeft dat tot nog toe onvoldoende kunnen compenseren. Gebleken is dat de relatie tussen de pleegmoeder en de moeder problematisch is waarbij regelmatig sprake is van hoog oplopende conflicten. In de zomer van 2020 heeft een geweldsincident plaatsgevonden tussen de pleegmoeder en de moeder waarna veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Naast de betrokkenheid van Levvel is diverse hulpverlening ingezet zoals onder andere Multidimensionele Therapeutische Pleegzorg en ‘In verbinding’. Deze hulpverlening is niet van de grond gekomen. Uit de verslaglegging van Levvel blijkt ook dat de pleegmoeder door haar eigen gezondheidsproblemen niet in staat is [de minderjarige] altijd naar school te brengen of naar de omgangsmomenten van [de minderjarige] met haar moeder of haar vader. [de minderjarige] laat grenzeloos en zelfbepalend gedrag zien en de pleegmoeder kan [de minderjarige] daarin niet altijd voldoende begrenzen. Gebleken is dat de pleegmoeder [de minderjarige] onvoldoende structuur, duidelijkheid en veiligheid kan bieden. Wegens de problematische verstandhouding tussen de pleegmoeder en de moeder is in het verleden ingezet op het verbeteren van die relatie middels systeemtherapie. De systeemtherapie is vroegtijdig gestopt, omdat de ‘aantrek-afstoot relatie’ tussen moeder en dochter en de strijd te veel op de voorgrond bleef staan.
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de pleegmoeder samen met [de minderjarige] zonder dat de GI daarvan op de hoogte was naar het buitenland is vertrokken en daar met haar verblijft en dat de GI aangifte heeft gedaan.
5.7
Genoemd wetsartikel maakt duidelijk dat het verzoek van de GI om het verblijf van [de minderjarige] te wijzigen alleen dient te worden afgewezen als dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk wordt geacht. Het hof constateert dat de pleegmoeder geruime tijd voor [de minderjarige] heeft gezorgd maar dat inmiddels duidelijk is geworden dat [de minderjarige] meer van een opvoeder vraagt dan gemiddeld en dat de pleegmoeder dit niet kan bieden. De pleegmoeder kan [de minderjarige] onvoldoende duidelijkheid, structuur en veiligheid bieden. Uit de verslaglegging van Levvel blijkt voorts dat [de minderjarige] zelfbepalend gedrag laat zien door de vrije opvoeding bij de pleegmoeder thuis en dat de pleegmoeder onvoldoende in staat is om [de minderjarige] daarin te begrenzen, de pleegmoeder hierin beperkt leerbaar is en onvoldoende inzicht heeft in wat [de minderjarige] nodig heeft. Het hof is van oordeel, met inachtneming van het mondelinge advies van de raad, dat het voor de ontwikkeling van [de minderjarige] belangrijk is dat zij onbelemmerd contact kan hebben met de voor haar belangrijke personen zoals onder andere haar moeder en haar vader. Er is echter sprake van een conflictueuze relatie tussen de pleegmoeder en de moeder en dit vormt een risico voor [de minderjarige] . Ook is een omgangsregeling van [de minderjarige] met de vader onderwerp van geschil in een andere procedure. Voor de pleegmoeder is het onvoldoende mogelijk om samen te werken met het netwerk van [de minderjarige] , waaronder haar moeder en haar vader. Daar komt nog bij dat de pleegmoeder [de minderjarige] na de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2021 zonder toestemming van en enig bericht aan de GI, heeft meegenomen naar het buitenland en daarmee de structuur en stabiliteit in het leven van [de minderjarige] , bestaande uit haar school en logopedie, heeft doorbroken. Dit toont mede aan dat de pleegmoeder onvoldoende in staat is [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft, zelfbepalend optreedt en uit de noodzakelijke samenwerking met de GI stapt, nog daargelaten dat pleegmoeder daarmee de uitspraak van de kinderrechter naast zich neer heeft gelegd.
Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de toestemming tot overplaatsing door de kinderrechter terecht is verleend. Niet is gebleken dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat zij bij de pleegmoeder blijft wonen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
5.8
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de pleegmoeder een raadsonderzoek te gelasten overweegt het hof dat het zich op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht te kunnen beslissen, zodat geen noodzaak bestaat om een raadsonderzoek te gelasten. Het hof zal het verzoek van de pleegmoeder hiertoe dan ook afwijzen.
5.9
De pleegmoeder heeft verzocht de GI te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. Het hof ziet gezien de aard en de uitkomst van de zaak geen aanleiding om de GI te veroordelen in de proceskosten.
Het incident (200.301.149/02)
5.1
Nu bij deze beschikking een einduitspraak in de hoofdzaak wordt gegeven, is daarmee het belang van de pleegmoeder bij een beslissing op het schorsingsverzoek komen te vervallen. Het schorsingsverzoek zal dus worden afgewezen.
5.11
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.301.149/01
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.301.149/02
wijst het schorsingsverzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, G.W. Brands-Bottema en J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 7 december 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.