De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk binnen Nederland brengen van ongeveer 671 gram cocaïne, bestemd voor verdere verspreiding en handel. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij voor overige tenlasteleggingen.
De strafrechtelijke beoordeling vond plaats tegen de achtergrond van de schadelijkheid van harddrugs voor de volksgezondheid en de noodzaak van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid, waarbij de LOVS-oriëntatiepunten werden gevolgd. Ondanks de persoonlijke en financiële omstandigheden van de verdachte, waaronder de situatie van zijn hoogzwangere vriendin en zijn status als first offender, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
De opgelegde straf van 7 maanden sluit aan bij de richtlijnen voor invoer van hoeveelheden tussen 500 en 1000 gram cocaïne. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht. De tenuitvoerlegging van de straf vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijke deelname aan een penitentiair programma of regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling.