ECLI:NL:GHAMS:2021:4377

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
23-001402-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36h SvArt. 408 SvArt. 1 Wet op de identificatieplicht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens te late instelling

Verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de kantonrechter en stelde binnen de termijn hoger beroep in. De verdediging betwistte de rechtsgeldigheid van de uitreiking van de dagvaarding, stellende dat verdachte deze niet persoonlijk had ontvangen en de identiteit van de ontvanger niet was vastgesteld volgens wettelijke vereisten.

Het hof onderzocht de akte van uitreiking en de aanvullende verklaring van de medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD). Deze documenten toonden aan dat de dagvaarding persoonlijk aan verdachte was overhandigd, ondanks het ontbreken van een handtekening van verdachte en het niet controleren van een identiteitsbewijs.

De stelling van verdachte dat hij niet thuis was op het moment van uitreiking werd niet onderbouwd. Het hof concludeerde dat de dagvaarding rechtsgeldig was uitgereikt op 12 maart 2021, waardoor verdachte op de hoogte was van de zitting van 26 april 2021. Het hoger beroep had binnen veertien dagen na het vonnis van 26 april moeten worden ingesteld, maar werd pas op 20 mei ingediend, te laat.

Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 december 2021.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late instelling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001402-21
datum uitspraak: 16 december 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 26 april 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-045594-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2021.
Door de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 26 april 2021 te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem). De verdachte is op 26 april 2021 bij verstek veroordeeld en heeft op 20 mei 2021 hoger beroep ingesteld.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte nimmer heeft kennis genomen van de dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg, zodat het hoger beroep tijdig is ingesteld en de verdachte dient te worden ontvangen in het hoger beroep. De verdediging wijst er in dit verband op dat de akte van uitreiking weliswaar vermeldt dat deze in persoon aan de verdachte is uitgereikt, maar dat dit wordt betwist door de verdachte. Dat de akte uitreiking niet door de verdachte is ondertekend en evenmin de identiteit van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt is vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs, zoals voorgeschreven in artikel 36h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, biedt steun aan de stelling van de verdachte dat de dagvaarding niet in persoon aan hem is uitgereikt. De verdachte is eerst na bericht van de reclassering bekend geraakt met het in eerste aanleg gewezen vonnis, waarna nog dezelfde dag, te weten op 20 mei 2021, hoger beroep is ingesteld.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
Op de akte van uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg heeft een medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (verder: IPKD) aangevinkt dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is uitgereikt op het op die akte vermelde adres van de verdachte. De medewerker heeft de naam van de verdachte handgeschreven op de akte vermeld als de naam van de ontvanger. De medewerker van de IPKD heeft verder aangevinkt dat hij deze akte naar waarheid heeft ingevuld en heeft de akte ondertekend.
Op het formulier ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’, dat wordt gebruikt als op de akte van uitreiking geen handtekening voor ontvangst is geplaatst, heeft bedoelde medewerker onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop ik mij heb vergewist van de identiteit van de ontvanger zoals bedoeld in artikel 36h, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering’, aangevinkt: ‘Gevraagd naar zijn/haar naam, gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op.’ Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ heeft hij aangevinkt dat hij de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger heeft overhandigd. Ook deze aanvulling op de akte van uitreiking is door de medewerker van de IPKD ondertekend.
Het hof ziet geen reden om naar aanleiding van hetgeen is aangevoerd te twijfelen aan de inhoud van de akte van uitreiking en de aanvulling op deze akte, er op neerkomend dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Het feit dat een handtekening van de ontvanger ontbreekt en de identiteit van de persoon aan wie de akte is uitgereikt niet (aanvullend) is gecontroleerd aan de hand van een identiteitsbewijs, maakt dit niet zonder meer anders. Daarbij merkt het hof op dat artikel 36h derde lid Sv slechts bepaalt dat de identiteit
zo mogelijkwordt vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Daar komt bij dat de verdachte zijn stelling dat hij desbetreffende dag niet thuis is geweest en dus de dagvaarding niet in ontvangst heeft kunnen nemen, op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Gelet op bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat de inleidende dagvaarding op 12 maart 2021 op rechtsgeldige wijze aan de verdachte is uitgereikt, waarmee hij op hoogte was van de zitting in eerste aanleg op 26 april 2021. Bij deze stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, binnen veertien dagen na het op 26 april 2021 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 20 mei 2021 en dus te laat hoger beroep ingesteld.
Gelet op bovenstaande dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. J.W.P. van Heusden en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 december 2021.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.