AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep belaging
In deze zaak betreft het een wrakingsverzoek van de verdachte in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam wegens belaging. Het verzoek tot wraking werd ingediend tijdens de zitting van 2 november 2021, waarbij de verdachte stelde dat de raadsheren niet onpartijdig zouden zijn en dat hij zonder advocaat was veroordeeld.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 512 SvPro en de vaste rechtspraak omtrent rechterlijke onpartijdigheid. De voorzitter van de zittingscombinatie had tijdens de zitting stukken uit het dossier voorgehouden, waaronder een proces-verbaal van een verhoor van het slachtoffer, waarbij de verdachte steeds gelegenheid kreeg te reageren.
De wrakingskamer concludeert dat het voorlezen van geselecteerde dossierstukken geen schijn van vooringenomenheid oplevert en dat uit de gang van zaken op de zitting geen aanwijzingen voor partijdigheid blijken. Ook voor de andere raadsheren, die niet actief spraken tijdens het verhoor, is geen grond voor wraking gevonden.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is uitgesproken op 21 december 2021 door de wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer : 200.301.973/01
zaaknummers hoofdzaak : 23-000155-20
beslissing van de wrakingskamer van 21 december 2021
inzake het op 2 november 2021 gedane wrakingsverzoek van:
[verzoeker01](hierna: verzoeker),
wonende te [woonplaats01] .
1.Het geding
1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep (parketnummer 23-000155-20) tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2020, waarbij verzoeker is veroordeeld wegens belaging van [slachtoffer01] .
1.2.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 16 juni 2021 aangevangen. De behandeling is toen aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken. Vervolgens is de zaak behandeld op 2 november 2021.
1.3.
Verzoeker heeft tijdens de openbare terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit hof van 2 november 2021 een verzoek tot wraking gedaan van de raadsheren mrs. [naam01] , [naam02] en [naam03] (hierna: de raadsheren).
1.4.
Dit wrakingsverzoek is op 7 december 2021 door de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is niet verschenen op deze zitting. De raadsheren zijn wel verschenen.
2.Het wrakingsverzoek
2.1.
Blijkens de weergave in het proces-verbaal van de zitting van 2 november 2021 heeft verzoeker het volgende aangevoerd als reden van de wraking:
“U bent partijdig. U bent niet onpartijdig. U weet dat ik zonder advocaat ben veroordeeld. Het is een soort toneelstukje. Ik had geen kennis van de tenlastelegging en ook niet van de inhoud van het dossier. [slachtoffer01] heeft tegen de politie niet de waarheid verteld. Een enkele aangifte is onvoldoende reden om tot vervolging over te gaan; er moet ook een klacht zijn. Dit is een uitspraak van de Hoge Raad.”
3.Het standpunt van de raadsheren
3.1.
De raadsheren zijn van mening dat de aangevoerde gronden voor de wraking niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek. Daartoe heeft mr. [naam01] , mede namens de andere raadsheren, in een schriftelijke reactie het volgende aangevoerd:
“(…) Tijdens de zitting van 2 november jl. heb ik, voorzitter, de heer [verzoeker01] de inhoud van het dossier zoals dat aan het hof ter beschikking is gesteld, voorgehouden teneinde hem de gelegenheid te geven daarop te reageren. Niets meer en niets minder.
Het ontgaat het hof hoe de heer [verzoeker01] daaruit kan afleiden dat het hof niet onpartijdig en niet onbevooroordeeld de strafzaak tegen hem kan beoordelen. (…)”.
4.Beoordeling van het wrakingsverzoek
4.1.
Op grond van artikel 512 WetboekPro van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie, elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
4.2.
Uit het proces-verbaal volgt dat de voorzitter enkele stukken uit het dossier heeft voorgehouden, in het bijzonder het nieuw ingekomen proces-verbaal van verhoor van
[slachtoffer01] bij de raadsheer-commissaris van 9 maart 2021. Verzoeker is steeds in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen werd voorgehouden. Nadat de voorzitter delen uit de verklaring van [slachtoffer01] bij de raadsheer-commissaris had voorgehouden, zei verzoeker onder meer “Wat wil u hiermee zeggen? U gelooft wat [slachtoffer01] heeft verklaard?”. Vervolgens liet hij weten de drie raadsheren te wraken.
4.3.
De wrakingskamer overweegt als volgt. De rechter is op grond van artikel 301, eerste tot en met vierde lid Sv gehouden om de stukken in het dossier voor te lezen dan wel de korte inhoud van de stukken voor te houden. Deze bepalingen houden in dat de rechter binnen bepaalde grenzen een selectie kan maken van hetgeen ter zitting wordt voorgehouden. Een dergelijke selectie brengt niet zonder meer een schijn van vooringenomenheid mee. Niet is gebleken dat uit de selectie van hetgeen de voorzitter van de zittingscombinatie ter zitting van 2 november 2021 heeft voorgehouden, vooringenomenheid kan worden afgeleid. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de gang van zaken op de zitting. Ook uit het overige door verzoeker aangevoerde blijkt niet van enige vooringenomenheid of schijn daarvan.
4.4.
Daarnaast heeft verzoeker niet onderbouwd waarom bij mr. [naam02] en mr. [naam03] sprake zou zijn van vooringenomenheid. De wrakingskamer constateert dat zij volgens het proces-verbaal van de bewuste zitting niet hebben gesproken tijdens het verhoor van de verzoeker, dat door de voorzitter werd geleid. Reeds daarom dient het wrakingsverzoek jegens hen te worden afgewezen.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat niet is gebleken van vooringenomenheid bij de raadsheren jegens verzoeker of van een objectief gerechtvaardigde vrees hiervoor. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
5.De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren mrs. [naam01] , [naam02]
en [naam03] af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.J.M. Quaedvlieg, A.V.T. de Bie en P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 december 2021.
mrs. H.J.M. Quaedvlieg en A.V.T. de Bie zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.