Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die was veroordeeld voor deelnemen aan een criminele organisatie, medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen. De zaak betrof het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze strafbare feiten, gepleegd vóór 1 juli 2011, waardoor artikel 36e (oud) Sr van toepassing was.
De verdediging betwistte dat de veroordeelde enig wederrechtelijk voordeel had genoten en stelde primair vaststelling op nihil voor, subsidiair een aandeel van 10% op basis van de strafmaat en ondergeschikte rol. Het hof oordeelde echter dat het bewijs, waaronder het onherroepelijke arrest in de hoofdzaak, overtuigend aantoonde dat de veroordeelde €400.000,- contant had ontvangen in Hongarije als beloning voor de feiten.
Na aftrek van verblijf- en reiskosten werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €399.165,50. Gelet op een overschrijding van de redelijke termijn van bijna zes jaar matigde het hof de betalingsverplichting tot €350.000,-. Tevens werd een gijzelingsduur van 1.080 dagen bepaald. Het vonnis waarvan beroep werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.