In deze ontnemingszaak vordert het openbaar ministerie betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde, die onherroepelijk is veroordeeld voor deelnemen aan een criminele organisatie en medeplegen van witwassen. De feiten dateren van vóór 1 juli 2011, waardoor artikel 36e (oud) Sr van toepassing is.
De verdediging betwist primair het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel en stelt dat de rol van de veroordeelde beperkter was dan door het OM en de rechtbank aangenomen. Subsidiair wordt een lager percentage van het voordeel voorgesteld. Het hof oordeelt echter dat het bewijs, waaronder het arrest in de hoofdzaak, overtuigend aantoont dat de veroordeelde samen met medeverdachten contant geld in Hongarije heeft ontvangen en verdeeld, waarbij het voordeel wordt geschat op €399.165,50 na aftrek van verblijf- en reiskosten.
De verdediging verzoekt om nihilbetaling wegens gebrek aan draagkracht, maar het hof acht dit niet aannemelijk. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van bijna zes jaar wordt de betalingsverplichting gematigd tot €350.000,-. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en legt deze nieuwe maatregel op, inclusief een gijzelingsduur van maximaal 1080 dagen.