Partijen waren vennoten in een vennootschap onder firma (vof) die in 2006 failliet werd verklaard. Na feitelijke beëindiging van hun samenwerking ontstond een geschil over de verdeling van het vennootschapsvermogen en de afwikkeling van gezamenlijke schulden.
Het hof stelt vast dat de vennootschap ontbonden is op de faillissementsdatum 4 juli 2006, conform het vennootschapscontract. De peildatum voor vereffening is daarmee ook die datum. De vordering van appellante tot vergoeding van door haar betaalde rente en aflossingen op een gezamenlijke geldlening wordt toegewezen, inclusief een vermeerdering wegens een hoger bedrag in hoger beroep.
De bankmutaties van de vof-rekening tussen 2006 en 2007 zijn geanalyseerd en onttrekkingen door partijen vastgesteld. Na correctie van contante opnamen wordt veroordeeld dat geïntimeerde een bedrag van ruim €153.000 aan appellante moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 januari 2006.
Vorderingen van geïntimeerde tot inzage van bankafschriften van een Belgische rekening worden afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig belang en beschikbaarheid van de documenten. Het hof bekrachtigt deels de eerdere vonnissen en vernietigt voor het overige, wijst de kosten toe aan geïntimeerde en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.