Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2021:522

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
24 februari 2021
Zaaknummer
200.258.782/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling en proceskosten in hoger beroep na toetsing oneerlijk beding

Defam B.V. vordert betaling van een bedrag van € 20.359,64 van geïntimeerde, voortvloeiend uit een kredietovereenkomst met een limiet van € 15.000 en contractuele rente van 10,8% per jaar. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis en wijst de vordering alsnog toe.

Het hof baseert zich op een herberekening van de vordering door Defam, waarbij de rente over het bedrag boven de kredietlimiet niet wordt toegewezen, conform het eerdere tussenarrest. De betalingen van geïntimeerde zijn verrekend en het bedrag is inclusief rente tot de beëindigingsdatum van de overeenkomst.

Hoewel Defam in hoger beroep geheel in het gelijk wordt gesteld, worden de proceskosten van het hoger beroep niet aan geïntimeerde opgelegd vanwege de beschermingsdoelstelling van Richtlijn 93/13/EEG over oneerlijke bedingen. Geïntimeerde heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen, en het hoger beroep was noodzakelijk vanwege de ambtshalve toetsing door de rechter.

Het hof veroordeelt geïntimeerde tot betaling van het bedrag en de proceskosten van de eerste aanleg, inclusief wettelijke rente, en verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten van het hoger beroep blijven voor rekening van Defam.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van Defam toe en veroordeelt geïntimeerde tot betaling en proceskosten eerste aanleg, terwijl de kosten van het hoger beroep voor rekening van Defam blijven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.258.782/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7472420 CV EXPL 19-1559
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2021
inzake
DEFAM B.V.,
gevestigd te Bunnik,
appellante,
advocaat: mr. A. Robustella te Ede (Gld),
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna weer Defam en [geïntimeerde] genoemd.
Na het tussenarrest van 17 november 2020 (hierna: het tweede tussenarrest) heeft Defam een akte genomen en daarbij een nadere productie in het geding gebracht. Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.

2.Verdere beoordeling

2.1.
Het hof blijft bij hetgeen in het tweede tussenarrest is overwogen.
2.2.
Defam heeft haar vordering op [geïntimeerde] in haar laatste akte herberekend op een bedrag van € 25.145,36. Defam is daarbij uitgegaan van het oordeel van het hof, gegeven in rov. 2.4 van het tweede tussenarrest, dat de rente over het bedrag dat de kredietlimiet van € 15.000 te boven gaat, niet toewijsbaar is. Genoemd bedrag is inclusief de contractuele rente van 10,8% per jaar, vanaf 9 augustus 2004 tot en met 28 december 2018 – de datum waarop de kredietovereenkomst is beëindigd – over het opgenomen bedrag tot € 15.000. De van [geïntimeerde] ontvangen betalingen zijn verdisconteerd. Het bedrag is kennelijk berekend zonder de matiging uit coulance die Defam in haar inleidende dagvaarding vermeldt.
2.3.
Defam vordert in deze procedure een bedrag van € 20.359,64 van [geïntimeerde] .
2.4.
Het bedrag van € 20.359,64 is toewijsbaar. Het bestreden vonnis zal dus worden vernietigd en de vordering van Defam zal alsnog worden toegewezen.
2.5.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van Defam, die moeten worden bepaald op grond van het thans toegewezen bedrag. De proceskosten van de eerste aanleg worden begroot op € 588,75 aan onkosten en € 480 voor salaris gemachtigde. De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar als gevorderd.
Het hof ziet redenen om [geïntimeerde] niet te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, hoewel Defam in hoger beroep alsnog geheel in het gelijk wordt gesteld. Dit hangt samen met de beschermingsdoelstelling van het Europese consumentenrecht, meer in het bijzonder de in het eerste tussenarrest vermelde Richtlijn 93/13. [geïntimeerde] heeft de bestreden beslissing van de kantonrechter niet uitgelokt of verdedigd. In eerste aanleg heeft hij immers geen verweer gevoerd tegen de vordering van Defam en in hoger beroep is hij niet verschenen. De noodzaak van het hoger beroep is ontstaan als een gevolg van de plicht van de nationale rechter, in dit geval de kantonrechter, om ambtshalve te toetsen of de vordering (mede) wordt gebaseerd op een oneerlijk beding als bedoeld in de genoemde richtlijn. De beoordeling waartoe de kantonrechter bij die ambtshalve toetsing is gekomen, wordt door het hof niet gedeeld. Dat rechtvaardigt echter onder de gegeven omstandigheden niet dat de consument in de kosten van het hoger beroep wordt veroordeeld. Het hof zal daarom bepalen dat de kosten van het hoger beroep voor rekening van Defam blijven.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Defam van € 20.359,64;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Defam begroot op € 588,75 aan onkosten en € 480 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de kosten van het hoger beroep voor rekening van Defam blijven;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C.C. Lewin, mr. M.P. van Achterberg en mr. A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.