Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
“(…) Dit betekent dat het bestaan van een schenkingsovereenkomst kan worden aangenomen, in geval komt vast te staan dat de man de wil heeft gehad om de vrouw, wetende dat hij daartoe op geen enkele wijze verplicht was, te verrijken met voormeld bedrag.
wordenverkregen en daarmee naar het zich laat aanzien over toekomstige schenkingen, zeker ook niet gezien het verweer van de man. De man wijst onder meer erop dat de vrouw zelf heeft gesteld dat de man bij de besprekingen bij de notaris (hof: Feitsma) geen melding van de nalatenschap heeft gemaakt, de huwelijkse voorwaarden in 2017 zijn opgemaakt en het bedrag van € 148.917,65 al in 2016 naar de rekening van de vrouw is overgemaakt. De vrouw heeft dit niet weersproken. Voorts gaat - anders dan de vrouw meent - het recht op teruggave van onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen niet (zonder meer) teniet doordat daarmee consumptieve bestedingen zijn gedaan (gemeenschapsschulden zijn voldaan) (Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504). Het had op de weg van de vrouw gelegen feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Het hof komt evenmin als de rechtbank toe aan het bewijsaanbod van de vrouw dat de wens van de man is geweest om de vrouw te verrijken door middel van deze schenking. Zij heeft daarvoor in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, mede gezien de gemotiveerde betwisting door de man dat sprake is van schenking, haar stellingen niet, althans zo weinig feitelijk onderbouwd en toegelicht, dat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, hetgeen het hof, ondanks herhaald bewijsaanbod van de vrouw tot de slotsom brengt dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. De derde grief van de vrouw faalt eveneens.
6.De beslissing
tot 12 september 2021voor uitlating van de zijde van de man over de voortzetting van de procedure op deze onderdelen (zie 5.8.3);