ECLI:NL:GHAMS:2021:744
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring en stuiting restitutievordering in effectenleaseovereenkomst
In deze zaak staat centraal of de restitutievordering van [geïntimeerde sub 1] jegens Dexia Nederland B.V. wegens een effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is gestuit, zodat deze niet verjaard is. De leaseovereenkomst werd in 2000 gesloten en eindigde in 2006 met een restschuld. De nietigheid van de overeenkomst werd door de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige in 2005 buitengerechtelijk ingeroepen.
De kantonrechter oordeelde dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig was vernietigd en veroordeelde Dexia tot terugbetaling van de betaalde termijnen minus ontvangen dividenden. Dexia betwistte dit en voerde onder meer aan dat de restitutievordering was verjaard omdat deze pas in 2015 in rechte was ingesteld en er geen geldige stuiting had plaatsgevonden.
Het hof stelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf het moment dat de schuldeiser bekend is met zijn vordering en de schuldenaar. De brief van 5 december 2005 waarin de vernietiging werd ingeroepen, maakte Dexia bekend als schuldenaar en stelde de vordering vast. De wettelijke vertegenwoordiger kon de vordering namens de minderjarige instellen, waardoor de verjaringstermijn toen begon.
Het hof onderzoekt vervolgens of de verjaring rechtsgeldig is gestuit door onder meer collectieve procedures en brieven van gemachtigden. Dexia betwist de geldigheid van deze stuitingshandelingen vanwege gebrek aan specificatie en volmacht. Het hof geeft partijen de gelegenheid ontbrekende stukken te overleggen om deze vraag te kunnen beantwoorden.
De overige grieven van Dexia over de betalingen worden verworpen. De zaak wordt verwezen naar een nieuwe rolzitting voor nadere beoordeling van de stuiting. Het arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp.
Uitkomst: De zaak is verwezen naar een nieuwe rolzitting voor nadere bewijslevering over de stuiting van de verjaring.