ECLI:NL:GHAMS:2022:10

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 januari 2022
Publicatiedatum
5 januari 2022
Zaaknummer
23-002182-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis jeugddetentie met aanvullingen strafmotivering

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake een minderjarige verdachte geboren in 2004, die werd verdacht van poging doodslag en poging zware mishandeling. Het openbaar ministerie vorderde een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid.

De raadsman van de verdachte bepleitte primair vrijspraak en subsidiair ontslag van rechtsvervolging wegens noodweer, en voerde aan dat geen onvoorwaardelijke jeugddetentie moest worden opgelegd vanwege contra-indicaties uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK).

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar voegde een aanvullende strafmotivering toe. Uit het RvdK-rapport bleek dat de jeugdreclassering nog voldoende mogelijkheden heeft om met de verdachte te werken en dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie de positieve ontwikkeling van de verdachte zou doorkruisen. Het hof volgde dit advies en legde geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op, maar wel een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Het locatiegebod (avondklok) werd geschrapt.

De positieve ontwikkeling van de verdachte en het feit dat het conflict tussen betrokken groeperingen mede door zijn ingrijpen was opgelost, werden meegewogen. Het hof achtte het wenselijk voor zowel de verdachte als de maatschappij om de hulpverlening voort te zetten. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 4 januari 2022.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en legt een voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf op zonder onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002182-21
datum uitspraak: 4 januari 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 15-076054-21 en 15-237634-20 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedag] 2004,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 12 maanden jeugddetentie, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.
De raadsman heeft primair vrijspraak van poging doodslag en vrijspraak van poging zware mishandeling bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat sprake is van een noodweersituatie en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat geen onvoorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd, gelet op de contra-indicaties die blijken uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna RvdK), en dat kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
  • de
  • het
Aanvulling strafmotivering
Het hof overweegt als volgt.
Uit het rapport van de RvdK van 15 december 2021 blijkt het volgende:

De jeugdreclassering kan nog voldoende uit de voeten met de jeugdreclasseringsmaatregel. Er is zeker nog een aantal doelen te behalen, maar daarvan kan nog resultaat van de Waag en van de in te zetten coach verwacht worden. De RvdK handhaaft derhalve het eerder gegeven advies ten aanzien van
het strafbare feit waarvan [verdachte] verdacht wordt, met weglating van de avondklok aangezien deze in het opbouwen van meer vrijheid inmiddels niet meer van toepassing is.
De RvdK adviseert de rechtbank (het hof begrijpt: het hof) om de minderjarige [verdachte] geboren op [geboortedag] 2004 een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.”
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam] dit advies toegelicht en daarbij onder meer naar voren gebracht dat het onwenselijk is de verdachte terug te sturen naar een Justitiële Jeugdinrichting nu dit – kort gezegd – de positieve ontwikkeling die de verdachte laat zien, alsmede zijn schoolgang, zou doorkruisen. De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting bij dit advies aangesloten.
Het hof ziet, ondanks de ernst van het feit en anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding af te wijken van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof acht het wenselijk, niet alleen voor de verdachte maar ook voor de maatschappij, dat de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft laten zien in het kader van de opgezette hulpverlening niet wordt doorkruist. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte heeft aangegeven dat het conflict tussen de twee groeperingen, waar het strafbare feit uit voort is gekomen, mede door het ingrijpen van de verdachte is opgelost en hij daarna niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie.
Uit de verklaringen ter terechtzitting van de deskundigen van de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat de contra-indicaties die voor de rechtbank reden waren om geen jeugddetentie op te leggen, alleen maar zijn versterkt. Het hof zal daarom tot dezelfde strafoplegging komen als de rechtbank, met uitzondering van het locatiegebod, en de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. T. de Bont en mr. A. Beijer, in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong en R.M ter Horst, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2022.
mr. T. de Bont en mr. A. Beijer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.