ECLI:NL:GHAMS:2022:1088
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in hoger beroep wegens ontbreken appelschriftuur
Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2019, waarin verdachte integraal werd vrijgesproken. Hoewel het hoger beroep tijdig werd ingesteld, werd geen schriftuur met grieven ingediend zoals vereist volgens artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De raadsman van verdachte voerde preliminair verweer aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van deze schriftuur. De advocaat-generaal erkende dit gebrek en kon geen rechtvaardiging geven voor het niet indienen van de appelschriftuur.
Het hof overwoog dat het belang van strafrechtelijke rechtshandhaving en het beroep niet opwoog tegen het belang van sanctionering van het verzuim. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 416, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, en uitgesproken op 29 maart 2022. Mr. Kuster was verhinderd om mede te ondertekenen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet indienen van een appelschriftuur.