ECLI:NL:GHAMS:2022:1102
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verdeling rekening-courantschuld en verkoopopbrengst voormalige echtelijke woning na echtscheiding
Partijen zijn in 2006 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en zijn in 2021 gescheiden. De man bezit aandelen in twee vennootschappen, waarvan de rekening-courantschuld aan [Y] B.V. onderdeel uitmaakt van de gemeenschap. De rechtbank bepaalde dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld en dat de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning deels aan de man toekomt.
De vrouw stelde in hoger beroep dat zij niet voor de helft aansprakelijk kan zijn voor de rekening-courantschuld omdat zij vanaf juli 2018 geen gezamenlijke huishouding meer voerde en zij geen inzicht kreeg in de schuldopbouw. Tevens stelde zij dat de rekening-courantschuld aan [X] B.V. buiten de gemeenschap valt en dat zij daardoor benadeeld is. De man voerde aan dat hij ook na het verlaten van de woning kosten voor beiden droeg en dat de schuldopbouw inzichtelijk was gemaakt.
Het hof oordeelde dat de rekening-courantschuld aan [Y] B.V. inderdaad tot de gemeenschap behoort en dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit onaanvaardbaar maken. De vrouw kon deze uitzonderingen niet aannemelijk maken. De stellingen over de rekening-courantschuld aan [X] B.V. betreffen de verdeling en niet de draagplicht en leiden niet tot een ander oordeel.
Verder vernietigde het hof het deel van de beschikking over de verkoopopbrengst van de woning en bepaalde dat eerst € 9.820,69 aan de man en € 5.254,82 aan de vrouw toekomt, waarna de rest bij helfte wordt verdeeld. Het hof bekrachtigde de rest van de beschikking en wees overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof wijzigt de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning en bevestigt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de rekening-courantschuld aan [Y] B.V.