ECLI:NL:GHAMS:2022:1215

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
19 april 2022
Zaaknummer
23-000211-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22b SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling auto-inbraak met taakstraf en hechtenis na hoger beroep

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte was veroordeeld voor een auto-inbraak waarbij een tas met persoonlijke eigendommen werd gestolen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd, behalve de strafoplegging. Het hof vernietigde de opgelegde gevangenisstraf en verving deze door een taakstraf van vijftig uur, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis. Het hof motiveerde dit door de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van de verdachte, die inmiddels verantwoordelijkheid heeft genomen en een positieve levenswending heeft ingezet.

De verdachte had meerdere eerdere veroordelingen, waaronder voor soortgelijke feiten, maar maakte een oprechte indruk en toonde intrinsieke motivatie om zijn leven te verbeteren. Het hof achtte een vrijheidsbenemende straf in beginsel passend, maar vond deze niet aangewezen omdat die de positieve ontwikkeling van de verdachte zou kunnen doorkruisen.

Het arrest bevat tevens een beslissing omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en vervangt de bewijsvoering door een bijlage. Het vonnis is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 5 april 2022.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000211-21
datum uitspraak: 5 april 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2021 in de strafzaak onder parket-nummer 13-122250-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof het vonnis zal aanvullen met een daarin ontbrekende beslissing omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en daarnaast de bewijsvoering zal vervangen door de bewijsvoering die (in die gevallen waarin de wet dit vereist) in een later bij dit verkort arrest te voegen bijlage is vervat.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen-verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag, met aftrek van voorarrest, en tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een auto-inbraak, waarbij een tas met inhoud is weggenomen. Hij heeft er aldus blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Het vergrijp zal de Duitse eigenaar van de auto, die zijn voertuig vol glassplinters moet hebben aangetroffen, een gevoel van ergernis en onveiligheid, alsmede de nodige rompslomp hebben bezorgd. Bovendien bevonden zich in de weggenomen tas het rijbewijs, de identiteitskaart en de credit card van zijn vrouw. Zeker omdat zij niet in Nederland woonachtig is, zal zij zich hierdoor vreselijk onthand hebben gevoeld. Kennelijk heeft de verdachte zich om dergelijke gevolgen niet bekommerd en zich slechts laten leiden door zijn zucht naar ‘snel geld’. Zeker nu de verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 maart 2022 meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld, onder andere voor een soortgelijk feit, is oplegging van een vrijheidsbenemende straf, zoals door de politierechter heeft gedaan, in beginsel gerechtvaardigd. Het hof zal daarvoor in dit geval echter niet kiezen, om reden van het volgende.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst bekend dat hij het tenlastegelegde heeft gepleegd en aldus verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad. Ook heeft hij uiteengezet dat hij sinds 26 juli 2021 – de datum waarop hij vanuit een eerdere detentie voorwaardelijk in vrijheid is gesteld – een nieuwe weg is ingeslagen en zijn leven op maatschappelijk verantwoorde wijze wil vormgeven, waarbij hij heeft uitgelegd hoe hij dat doet en wil blijven doen. De verdachte heeft hierin ter terechtzitting in hoger beroep op het hof een authentieke, oprechte indruk gemaakt. Ook een reclasseringswerker van Reclassering Nederland heeft in een advies van 23 december 2021 verwoord dat zij de indruk heeft dat bij de verdachte sprake is van een intrinsieke motivatie om zijn leven positief vorm te geven. Dit blijkt uit de stappen die hij neemt ten aanzien van werk en scholing en, naar het hof heeft vastgesteld, uit de omstandigheid dat hij sinds zijn vrijlating niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Gelet op het voorgaande acht het hof een vrijheidsbenemende straf, hoewel in beginsel passend, niet aangewezen omdat een dergelijke straf de opwaartse lijn die de verdachte heeft ingezet zou kunnen doorkruisen.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis, passend en geboden. Daarbij merkt het hof nog op dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie niet eenduidig volgt dat de aan de verdachte bij vonnis de kinderrechter van 12 februari 2018 opgelegde taakstraf (volledig) is geëxecuteerd, zodat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht niet (zonder meer) van toepassing is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. J.J.J. Schols en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 april 2022.