De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die haar kinderen onder toezicht stelde en machtiging gaf tot uithuisplaatsing bij de vader. De moeder betwistte de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en stelde dat de kinderen niet bedreigd werden in hun ontwikkeling en dat zij geen openheid gaf vanwege onterechte beschuldigingen.
De raad voor de kinderbescherming handhaafde de beschikking en stelde dat de kinderen bij de moeder in een onveilige en verwaarlozende situatie verkeerden, met meldingen van huiselijk geweld, drugsgebruik en een vervuilde woning. De vader en de gecertificeerde instelling bevestigden de problematiek en de gebrekkige medewerking van de moeder aan hulpverlening.
Het hof oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aanwezig waren en nog steeds gelden. De kinderen groeiden op in een onrustige en onveilige omgeving met ernstige ontwikkelingsbedreigingen. De moeder gaf onvoldoende openheid en werkte niet mee aan hulpverlening, waardoor het niet duidelijk is of zij een veilige opvoedsituatie kan bieden.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking en benadrukte het belang van openheid en samenwerking van de moeder met hulpverlening. Tevens werd aandacht gevraagd voor de spanningen rond het contact tussen moeder en kinderen. De uitspraak werd op 26 april 2022 openbaar uitgesproken.