Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:1280

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
23-000820-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 6 EVRMArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering mensenhandel met vrijspraak en toewijzing

De betrokkene was in eerste aanleg veroordeeld voor mensenhandel met betrekking tot twee slachtoffers en werd verplicht tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €236.740,00. In hoger beroep werd de betrokkene vrijgesproken voor mensenhandel met betrekking tot het eerste slachtoffer en veroordeeld voor mensenhandel met betrekking tot het tweede slachtoffer.

Het hof heeft de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat de betrokkene €293.028,48 aan voordeel heeft behaald uit de seksuele uitbuiting van het tweede slachtoffer. Hierbij is rekening gehouden met de opbrengsten en een conservatieve schatting van de kosten.

De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens dubbeltelling van vorderingen, maar het hof verwierp dit verweer omdat niet was gebleken dat aan betalingsverplichtingen was voldaan en toekomstige verrekening in de executiefase plaatsvindt.

Het hof stelde de duur van gijzeling vast op maximaal 360 dagen en constateerde een lichte overschrijding van de redelijke termijn, zonder verdere consequenties. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 april 2022.

Uitkomst: Het gerechtshof legt een ontnemingsmaatregel van €293.028,48 op en spreekt de betrokkene vrij voor mensenhandel met betrekking tot één slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000820-20
datum uitspraak: 25 april 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-728123-17 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].

Procesgang

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2018 veroordeeld ter zake van mensenhandel van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]).
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg -na wijziging- gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], geschat tot een bedrag van € 308.092,10.
De verdediging heeft verzocht genoemd wederrechtelijk voordeel ten hoogste op een bedrag van
€ 232.520,00 te schatten.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 10 maart 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vastgesteld op € 249.200,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 236.740,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 april 2022 veroordeeld ter zake van
– kort gezegd – mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 2] en vrijgesproken van mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu bij toewijzing van (een van) de vorderingen van de benadeelde partijen en het daarnaast opleggen van de ontnemingsmaatregel sprake is van een dubbeltelling.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
In hoger beroep is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 319.028,48, bestaande uit € 294.028,48 materiële schade en € 25.000,00 immateriële schade. Aan de betrokkene is opgelegd de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 319.028,48, waarbij geldt dat indien en voor zover de betrokkene aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Op grond van artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een soms geld ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover die zijn voldaan. Niet is gebleken dat de betrokkene ((een deel van) een van) de betalingsverplichtingen heeft voldaan. Om die reden is het hof niet gehouden om de toegewezen vordering van de benadeelde partij dan wel de betalingsverplichting in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De toekomstige betalingen van de betrokkene in het kader van de schadevergoeding zullen in de executiefase van de straf- en ontnemingszaak worden verrekend, om welke reden geen sprake is van een dubbeltelling. Naar het oordeel van het hof is het openbaar ministerie aldus ontvankelijk in de vordering.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 251.202,10 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft in hoger beroep verzocht dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 236.740,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit mensenhandel van [slachtoffer 2]. Het is bewezen dat de betrokkene [slachtoffer 2] gedurende een periode van in totaal 42 maanden seksueel heeft uitgebuit en haar de verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan aan de betrokkene. De verdiensten die [slachtoffer 2] aan de betrokkene heeft afgestaan, bedragen in totaal € 360.000,00 (€ 65.000,00 in 2009; € 65.000,00 in 2010; € 50.000,00 in 2011; € 180.000,00 in 2013 en 2014). Het hof baseert zich bij deze berekening op eenzelfde berekening als de raadsman in zijn pleitnota. Op basis van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 3 april 2018 (verder: het ontnemingsrapport) en aan de hand van een conservatieve schatting stelt het hof vast dat de betrokkene ongeveer € 66.971,52 aan kosten heeft gemaakt. Het hof stelt dit vast op grond van het ontnemingsrapport, waaruit volgt dat de betrokkene € 117.600,00 aan kosten in een periode van 295 weken had (dat wil zeggen € 398,64 per week). Gelet op de periode waarin [slachtoffer 2] werkzaam is geweest, heeft de betrokkene € 66.971,52 aan kosten gemaakt binnen 42 maanden (€ 398,64 per week vermenigvuldigd met – uitgaande van 4 weken per maand – 168 weken).
Voor zover de vordering van het openbaar ministerie verband houdt met de mensenhandel van [slachtoffer 1], oordeelt het hof dat deze in die zin niet toewijsbaar is nu de verdachte daarvan is vrijgesproken.
Uit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat op € 293.028,48 (€ 360.000,00 aan opbrengsten minus € 66.971,52 aan kosten).

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 293.028,48.
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van twee jaren per instantie als redelijk is aan te merken. Als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn geldt in hoger beroep de datum van het instellen van het rechtsmiddel tegen het ontnemingsvonnis, te weten 12 maart 2020. Dat brengt met zich mee dat de redelijke termijn, rekening houdend met de uitspraakdatum van het ontnemingsarrest, met ongeveer anderhalve maand is overschreden. Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn volstaat het hof met de constatering daarvan en worden daaraan geen andere consequenties verbonden.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
293.028,48 (tweehonderddrieënnegentigduizend achtentwintig euro en achtenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 360 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 april 2022.
Mr. M.J.A. Plaisier en mr. S. den Hartog zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.