De betrokkene was in eerste aanleg veroordeeld voor mensenhandel met betrekking tot twee slachtoffers en werd verplicht tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €236.740,00. In hoger beroep werd de betrokkene vrijgesproken voor mensenhandel met betrekking tot het eerste slachtoffer en veroordeeld voor mensenhandel met betrekking tot het tweede slachtoffer.
Het hof heeft de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat de betrokkene €293.028,48 aan voordeel heeft behaald uit de seksuele uitbuiting van het tweede slachtoffer. Hierbij is rekening gehouden met de opbrengsten en een conservatieve schatting van de kosten.
De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens dubbeltelling van vorderingen, maar het hof verwierp dit verweer omdat niet was gebleken dat aan betalingsverplichtingen was voldaan en toekomstige verrekening in de executiefase plaatsvindt.
Het hof stelde de duur van gijzeling vast op maximaal 360 dagen en constateerde een lichte overschrijding van de redelijke termijn, zonder verdere consequenties. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 april 2022.