Klaagster diende een beklag in tegen het besluit van het Openbaar Ministerie om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagden wegens valse aangifte, schending van het ambtsgeheim en onttrekking van hun minderjarige dochter aan het ouderlijk gezag in Portugal.
Het hof beoordeelde dat de feiten van valse aangifte en schending van het ambtsgeheim waren verjaard, omdat de wettelijke termijn van zes jaren was verstreken zonder dat een vervolging was ingesteld. Ten aanzien van de onttrekking van de minderjarige oordeelde het hof dat het Nederlandse vonnis over het ouderlijk gezag op grond van de EU-verordening Brussel II-bis directe werking had in Portugal, waardoor het ouderlijk gezag reeds bij beklaagde lag.
Daarom kon de strafrechter niet tot een bewezenverklaring komen dat beklaagden de minderjarige onttrokken hadden aan het wettig gezag. Het hof concludeerde dat er geen voldoende wettig en overtuigend bewijs was voor strafbare feiten en dat er geen belang was bij vervolging. Het beklag werd ongegrond verklaard.