ECLI:NL:GHAMS:2022:1497
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsom voor omgangsregeling met zestienjarige minderjarige
De zaak betreft een geschil tussen de man en de vrouw over de omgangsregeling met hun minderjarige kind, die inmiddels zestien jaar oud is. De man verzocht het hof om de zorgregeling van eens per drie weken omgang op vrijdagavond te laten naleven door de vrouw, onder dreiging van een dwangsom. De vrouw betwistte dit verzoek en stelde dat het kind zelf bepaalt of zij contact wil met de man.
Tijdens de procedure sprak het hof met de minderjarige, die aangaf geen contact te willen met de man en ook geen contactgegevens met hem wilde delen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat het initiatief voor contactherstel bij de minderjarige zelf ligt. Het hof vond het daarom onwenselijk om de omgang af te dwingen via een dwangsom, mede gezien de leeftijd en de wens van het kind.
Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank die het verzoek van de man tot oplegging van een dwangsom had afgewezen. Het hof benadrukte het belang van het kennen van beide ouders voor de identiteitsontwikkeling van het kind en stelde dat de vrouw het kind moet stimuleren contact met de man te hebben, terwijl zij de man periodiek moet informeren over het welzijn van het kind.
De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2022.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de dwangsom en wijst het meer of anders verzochte af.