ECLI:NL:GHAMS:2022:1545

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
200.299.232/ 01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 362 RvArt. 283 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling volledige bijdrage vader in kosten verzorging en opvoeding kinderen

Partijen zijn gehuwd in 2008 en hun huwelijk is ontbonden in januari 2021. Zij hebben vier kinderen die bij de moeder wonen. In de echtscheidingsbeschikking werd de alimentatiebijdrage van de vader aangehouden in afwachting van zijn jaarstukken en prognose.

De rechtbank stelde een bijdrage van €161 per kind per maand vast, terwijl de moeder een hogere bijdrage van €302 per kind per maand vorderde. De moeder kwam in hoger beroep en voerde aan dat de vader voldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Het hof oordeelde dat de vader een eenmanszaak exploiteert met een inkomen dat een draagkracht van €1.290 per maand rechtvaardigt. De moeder ontvangt een bijstandsuitkering en heeft geen draagkracht. Daarom moet de vader volledig bijdragen in de kosten van €302 per kind per maand. De eerdere beschikking wordt vernietigd en de bijdrage wordt verhoogd met ingang van 26 mei 2021.

Uitkomst: De man moet vanaf 26 mei 2021 een bijdrage van €302 per kind per maand betalen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.299.232/ 01
zaaknummer rechtbank: C/13/680558 / FA RK 20-1056
beschikking van de meervoudige kamer van 24 mei 2022 inzake
[de vrouw],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Burema te Wenum-Wiesel,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 23 augustus 2021 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de hiervoor genoemde beschikking van 26 mei 2021.
2.2
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 20 december 2021 met bijlage, ingekomen op 23 december 2021;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 maart 2022 met bijlagen, ingekomen op 8 maart 2022.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 maart 2022 plaatsgevonden. De vrouw is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn gehuwd [in] 2008. Hun huwelijk is op 19 januari 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 december 2020 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren [in] 2009,
- [kind 2] , geboren [in] 2010,
- [kind 3] , geboren [in] 2015 en
- [kind 4] , geboren [in] 2016 (hierna ook: de kinderen).
De kinderen wonen bij de vrouw.
3.3
Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, de beslissing op het verzoek van de vrouw ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aangehouden in afwachting van de door de man in te dienen jaarstukken van 2019 en een onderbouwde prognose voor het inkomen van de man in 2020.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een door de man met ingang van 26 mei 2021 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 161,- per kind per maand.
Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw – zo begrijpt het hof - om te beslissen op basis van de door partijen over te leggen verificatoire bescheiden omtrent hun inkomen op grond waarvan de man een bijdrage van ten minste € 91,- per kind per maand dient te voldoen.
4.2
De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 302,- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Na de echtscheidingsbeschikking heeft de man zijn jaarrekening van 2020 in het geding gebracht. Op grond hiervan heeft de rechtbank in de bestreden beschikking de behoefte van de kinderen berekend op € 1.143,- per maand in 2019. Na indexering bedraagt de behoefte in 2021 € 1.207,- per maand (€ 302,- per kind per maand). De behoefte van de kinderen is niet in geschil.
5.2
De vrouw is het eens met de door de rechtbank aan de hand van de winst van de man in 2020 berekende draagkracht van € 1.290,- per maand. De man heeft dus voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien en daarom had de rechtbank een bijdrage van € 302,- per kind per maand moeten vaststellen volgens de vrouw; de rechtbank is echter ten onrechte ervan uitgegaan dat het verzoek van de vrouw beperkt was tot € 161,- per kind per maand. De vrouw had zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat zij op grond van de door de man overgelegde stukken weliswaar constateerde dat de man meer draagkracht had dan zij dacht, maar zij te laat was om haar verzoek te wijzigen, aldus de vrouw.
5.3
Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de rechtbank op grond van het toen voorliggende verzoek van de vrouw een hogere bijdrage dan € 161,- per kind per maand kon vaststellen of dat zij daarmee buiten de grenzen van het geschil zou zijn getreden. Aangezien de vrouw in eerste aanleg een verzoek heeft gedaan ten aanzien van de bijdrage voor de kinderen staat het haar op grond van artikel 362 in Pro verbinding met artikel 283 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering vrij in hoger beroep haar verzoek te veranderen of vermeerderen.
5.4
Aan het hof ligt derhalve voor de vraag of een door de man te betalen bijdrage van € 302,- per kind per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.
De man voert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [X] . Uit de jaarstukken van 2020 blijkt dat het resultaat in 2019 en 2020 respectievelijk € 63.965,- en € 68.229,- bedroeg. Terecht heeft de rechtbank op grond van die inkomsten berekend dat de draagkracht van de man € 1.290,- per maand bedraagt.
De vrouw heeft geen draagkracht om een aandeel in de kosten van de kinderen te leveren. Zij ontvangt een bijstandsuitkering en in dat geval beveelt de Expertgroep Alimentatie aan om geen draagkracht aan te nemen. In navolging van deze aanbeveling neemt het hof geen draagkracht aan bij de vrouw.
Een draagkrachtvergelijking kan daarom achterwege blijven; de man dient volledig in de kosten van de kinderen van € 302,- per kind per maand te voorzien. Nu geen sprake is van een zorgregeling, zal op voornoemd bedrag geen zorgkorting in mindering worden gebracht.
5.5
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bijdrage bepalen op € 302,- per kind per maand met ingang van 26 mei 2021.
5.6
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de door de man aan de vrouw met ingang van 26 mei 2021 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 302,- (DRIEHONDERD TWEE EURO) per kind per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. A.R. van Wieren, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en is op 24 mei 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.