Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- bepaald dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de echtelijke woning te blijven wonen en tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont. Hij dient voor dat gebruik een vergoeding te betalen aan de vrouw van € 300,- per maand;
- bepaald dat de man € 2.800,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling voor de 25e van de maand te voldoen.
- de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen gelast conform de aan de beschikking gehechte punten 24 tot en met 26 van het door de vrouw ingediende verzoekschrift tot echtscheiding van 10 juni 2020.
5.De motivering van de beslissing
.Op deze in beginsel strakke regel (de twee-conclusieleer) worden alleen uitzonderingen gemaakt 1) vanwege de bijzondere aard van de procedure, 2) vanwege de ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij voor toelating van een tardieve stellingname, of 3) omdat de toepassing van de regel in strijd is met de goede procesorde. Hierbij valt te denken aan (i) een rechterlijke fout, (ii) nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat van grieven is gediend of (iii) een aan de wederpartij toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken. Dergelijke uitzonderingen doen zich hier niet voor.
6.De beslissing
- is geoordeeld dat de man een vergoeding dient te betalen voor het gebruik van de echtelijke woning van € 300,- per maand;
- is bepaald dat de man € 2.800,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud;
- bepaalt dat de schuld aan de aannemer van € 30.000,- deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en dat ieder der partijen draagplichtig is voor de helft van de schuld;
- bepaalt dat de vrouw ter voldoening van haar aandeel in de draagplicht van voornoemde schuld aan de aannemer aan de man een bedrag van € 7.500,- dient te voldoen, nadat de man de aannemer het bedrag van € 22.500,- heeft betaald;
- bepaalt dat tot de huwelijksgemeenschap behoren de huwelijkse schulden van € 940,- (zie 5.5.8 onder b); € 9.000,- (zie 5.5.8 onder c); € 20,- (zie 5.5.8 onder d) en € 960,- (zie 5.5.8 onder e) en dat de draagplicht van deze schulden tussen partijen verdeeld dient te worden bij helfte;