In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2021 vernietigd. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk verkopen van cocaïne op twee momenten in 2020 in Amsterdam. Het hof achtte bewezen dat verdachte op 10 december 2020 een bolletje cocaïne aan een persoon heeft verkocht en op 12 augustus 2020 ongeveer 0,1 gram cocaïne heeft verkocht.
De verdediging voerde aan dat de getuigenverklaring die het bewijs vormde niet mocht worden gebruikt omdat de getuige niet was gehoord. Het hof verwierp dit verweer, omdat de verklaring niet het enige bewijs was en de verbalisanten de waarneming bevestigden. De verklaring van de getuige werd slechts als ondersteunend bewijs gezien.
Hoewel de rechtbank een ISD-maatregel van 2 jaar oplegde, oordeelde het hof dat deze maatregel niet opportuun was. Verdachte is vanwege taalbarrière en beperkte cognitieve vermogens niet in staat de geboden hulp te aanvaarden, waardoor de maatregel slechts een lange detentie zonder behandelresultaat zou betekenen. Gezien de 18 maanden voorarrest en de ernst van de feiten legde het hof een gevangenisstraf van 2 maanden op.
Verder werden de in beslag genomen verdovende middelen onttrokken aan het verkeer, maar het in beslag genomen geld werd teruggegeven omdat geen verband met de feiten was vastgesteld. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege de reeds door verdachte doorgebrachte tijd in voorarrest.