Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2021. Het hoger beroep was mede gericht tegen de vrijspraak in één van de zaken, maar het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor dat deel van het hoger beroep.
De raadsman van verdachte voerde aan dat de opgelegde straf fors was en verzocht om matiging en verrekening met een vordering tot tenuitvoerlegging, alsmede om afwijzing van die vordering of verlenging van de proeftijd. Het hof wees deze verzoeken af, gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en het ontbreken van onderbouwing.
Ten aanzien van het in beslag genomen telefoontoestel oordeelde het hof anders dan de rechtbank. Het stelde vast dat het bewezenverklaarde niet met behulp van het toestel was gepleegd en vernietigde de verbeurdverklaring daarvan. Ook gelastte het hof de teruggave van het klapmes, omdat geen wapenrapport was opgemaakt en niet was voldaan aan de voorwaarden voor onttrekking aan het verkeer.
Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak in zaak A onder 2. Het arrest werd gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 juni 2022.