In deze zaak staat het verzoek van de vader centraal om medegezag te verkrijgen over zijn in 2020 geboren dochter en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder oefent momenteel het gezag uit en de minderjarige verblijft in een pleeggezin op grond van een machtiging.
De rechtbank wees het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af en bepaalde dat de omgang onder regie van de gecertificeerde instelling (GI) plaatsvindt. Het hof vernietigde een eerdere afwijzing van omgang en stelde vast dat de vader sinds mei 2022 gezagsbevoegd is door erkenning van het kind. Het hof achtte echter onvoldoende informatie beschikbaar om te beoordelen of gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en verzocht de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten.
Ten aanzien van de omgang stelde het hof vast dat de vader recht heeft op omgang en dat de huidige regeling, waarbij omgang eens per zes weken plaatsvindt, onvoldoende is. Het hof bepaalde daarom een voorlopige omgangsregeling van eens per vier weken gedurende twee uur, met mogelijke uitbreiding onder regie van de GI. De behandeling van de zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad, waarna een nieuwe zitting zal plaatsvinden.